Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15606

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
NL26.28707
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.7 Wet BRPArt. 2.34 Wet BRPRijkswet op het NederlanderschapBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening toegewezen tegen afwijzing verblijfsdocument EU/EER op grond van Chavez-arrest

Verzoekster, van Surinaamse nationaliteit, heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsdocument EU/EER op grond van het Chavez-arrest vanwege verblijf bij haar Nederlandse dochter. De minister wees deze aanvraag af en handhaafde dit besluit na bezwaar. Verzoekster mocht het beroep niet in Nederland afwachten en vroeg daarom een voorlopige voorziening om schorsing van het besluit en behoud van werk- en toeslagrechten.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van spoedeisend belang omdat verzoekster uit Nederland kan worden gezet, ook al zijn er geen concrete uitzettingsplannen. De minister baseert zijn afwijzing mede op een terugmelding bij de gemeente Almere wegens een vermeende schijnerkenning van de dochter, die de Nederlandse nationaliteit zou hebben verkregen door erkenning van een Nederlandse man.

De voorzieningenrechter twijfelt aan de rechtmatigheid van de terugmelding en het niet uitgaan van de Nederlandse nationaliteit van de dochter, omdat het verkrijgen en verliezen van het Nederlanderschap volgens de Rijkswet op het Nederlanderschap verloopt en niet zomaar kan worden genegeerd. Het beroep kan daarom niet zonder meer kansloos worden verklaard.

In de belangenafweging weegt het belang van verzoekster en haar dochter, die afhankelijk is van haar, zwaarder dan het belang van de minister om misbruik tegen te gaan. De voorlopige voorziening wordt toegewezen, het bestreden besluit geschorst, en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en het bestreden besluit geschorst tot uitspraak op het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.28707
V-nummer: [v-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster],

geboren op [geboortedag] 1997, van Surinaamse nationaliteit, verzoekster
(gemachtigde: mr. R.M. Vaalburg),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoekster.
1.1.
Verzoekster heeft een aanvraag gedaan tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER [1] op grond van het arrest Chavez-Vilchez [2] voor verblijf bij haar dochter [naam], die de Nederlandse nationaliteit heeft.
1.2.
De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 26 september 2025 afgewezen. Met de beslissing op het bezwaar van 13 mei 2026 (het bestreden besluit) is de minister bij de afwijzing gebleven. Verzoekster mag een eventueel beroep tegen dit besluit niet in Nederland afwachten.
1.3.
Op 21 mei 2026 heeft verzoekster beroep [3] en een voorlopige voorziening ingediend. In de voorlopige voorziening heeft verzoekster verzocht om de werking van het bestreden besluit op te schorten. Dit houdt volgens verzoekster in ieder geval een verbod op uitzetting in tot nadat op het beroep is beslist en het voortzetten van haar recht om in Nederland te werken en toeslagen te ontvangen.
1.4.
De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en de gemachtigde van verzoekster. De minister heeft zich afgemeld voor de zitting.
1.6.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit tot de uitspraak op het beroep;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. De voorzieningenrechter zal geen uitspraak doen op het beroep. Bij deze rechtbank en zittingsplaats is over dit onderwerp een meervoudige kamer zitting geweest, waarin nog uitspraak gedaan zal worden. Deze uitspraak wil de voorzieningenrechter eerst afwachten. Daarna zal pas het beroep op zitting worden gepland.
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter is, anders dan de minister, van oordeel dat er wel sprake is van spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Verzoekster mag het beroep immers niet in Nederland afwachten, zij kan dus uit Nederland worden gezet. De stelling van de minister dat geen sprake is van spoedeisendheid van het verzoek om een voorlopige voorziening omdat er geen concreet voornemen is of voorbereidingen zijn getroffen om verzoekster uit te zetten, volgt de voorzieningenrechter niet. Dat er nog geen concrete plannen voor uitzetting bestaan, is niet relevant. Het feit dat verzoekster verwijderbaar is, brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter al mee dat sprake is van een spoedeisend belang.
Redelijke kans van slagen
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat het hier gaat om een Chavez-situatie bij een Nederlands kind. [naam] is geboren in Suriname uit een Surinaamse moeder, verzoekster. Zij is Nederlander geworden omdat zij door een Nederlander is erkend. De minister stelt dat die erkenning een schijnerkenning is, daarom heeft hij aan het college van B&W [4] van de gemeente Almere een terugmelding gedaan op grond van artikel 2.34 van de Wet BRP [5] . De minister stelt dat hij daarom op grond van artikel 1.7, tweede lid, van de Wet BRP niet langer hoeft uit te gaan van de Nederlandse nationaliteit van [naam].
5. De voorzieningenrechter vraagt zich af of het bestreden besluit in stand kan blijven. Zij snapt wel dat de minister twijfels heeft bij de situatie van verzoekster. De erkenner van [naam] heeft volgens de terugmelding van de minister aan de gemeente Almere kennelijk meerdere kinderen erkend, waarvan de moeders daarna allemaal aanspraak hebben gemaakt op dezelfde procedure als verzoekster. Ook heeft de voorzieningenrechter vernomen dat het contact tussen [naam] en de erkenner pas is opgestart na het primaire besluit, waarin is tegengeworpen dat er geen contact is tussen [naam] en de erkenner.
6. Daartegenover staat dat de voorzieningenrechter wel twijfelt over of de werkwijze van de minister met het doen van een terugmelding en daardoor niet uitgaan van de Nederlandse nationaliteit, wel klopt. [naam] heeft namelijk wel de Nederlandse nationaliteit verkregen, toen zij werd erkend door een Nederlandse man. Deze erkenner hoeft ook niet de biologische ouder te zijn, in een andere situatie kan ook erkend worden. In principe dient dan uit te gaan van die erkenning. Het klopt verder wel dat de minister op grond van artikel 2.34 van de Wet BRP een terugmelding kan doen. In artikel 1.7, eerste en tweede lid, onder b, van de Wet BRP staat vervolgens dat het bestuursorgaan dat bij de vervulling van zijn taak informatie over een ingeschrevene nodig heeft die in de vorm van een authentiek gegeven beschikbaar is in de basisregistratie, voor die informatie dat gegeven gebruikt en dat het eerste lid niet van toepassing is indien het bestuursorgaan ten aanzien van het gegeven een mededeling als bedoeld in artikel 2.34 van de Wet BRP doet. De voorzieningenrechter vraagt zich zeer af of dit betekent dat de minister niet meer uit hoeft te gaan van de Nederlandse nationaliteit. Het verkrijgen en het verliezen van het Nederlanderschap wordt immers geregeld in de Rijkswet op het Nederlanderschap. Deze wet beschrijft ook welke procedures gevolgd moeten worden om te bepalen dat iemand geen Nederlander meer is. Zolang [naam] de Nederlandse nationaliteit niet heeft verloren conform die wet, gaat de voorzieningenrechter vooralsnog uit van haar Nederlandse nationaliteit. Tot slot is ook niet gebleken wat de gemeente Almere met de terugmelding heeft gedaan en wat de uitkomst van dat eventuele onderzoek is. Concluderend vraagt de voorzieningenrechter zich dus af of het bestreden besluit in stand kan blijven. Het beroep kan geen redelijke kans van slagen ontzegd worden.
Belangenafweging
7. De voorzieningenrechter zal vervolgens een belangenafweging maken. Hierin weegt zij de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van de minister die pleiten tegen het treffen daarvan.
8. De voorzieningenrechter acht het aan de kant van de minister van groot belang dat misbruik wordt tegengegaan, dat betekent dus ook dat schijnerkenningen niet mogen worden beloond. Ook betekent dat, als inderdaad sprake is van een schijnerkenning, er geen verblijfsrecht ontstaat en dat degene die ten onrechte een beroep doet op die erkenning geen recht heeft om in Nederland te blijven. Daartegenover acht de voorzieningenrechter aan de kant van verzoekster van groot belang dat het onderzoek zorgvuldig wordt gedaan en dat geen verstrekkende beslissingen worden genomen, zoals het mogelijk uitzetten van verzoekster met gevolgen voor [naam], die afhankelijk van haar is, zolang niet duidelijk is of het besluit wel stand kan houden. Bovendien gaat het om een tijdelijke maatregel, alleen totdat op het beroep is beslist. Dat maakt dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het belang van verzoekster en haar dochter, die van haar afhankelijk is zwaarder weegt dan het belang van de minister.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot de uitspraak op het beroep.
10. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat de minister het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
11. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026 door mr. H.J. Schaberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Europese Unie/ Europese Economische Ruimte.
2.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 10 mei 2017, ECLI:EU:2017:354.
3.NL26.28706.
4.Burgemeester en Wethouders.
5.Wet basisregistratie personen