Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.De feiten in conventie en in reconventie
“ [kadastrale aanduiding 1]’. Tot 30 november 2024 heeft [partij A] het appartement gelegen aan de [adres 2] te [plaats] bewoond. In de bedrijfsruimte onderin het pand exploiteert [naam 1] , de zoon van [partij A] , (hierna ‘ [naam 1] ’), dansschool “ [bedrijfsnaam] VOF” (hierna ‘de dansschool’). Sinds 1 september 2014 bewoont [naam 1] een appartement direct boven de dansschool.
“perceel te [plaats] aan de [adres 1] , kadastraal bekend gemeente [kadastrale aanduiding 1] , groot vier are en negentig centiare, alsmede een strookje erfpachtsgrond daarachter gelegen en kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding 2] dierzelfde gemeente en sectie, groot achtentwintig centiare”mede had moeten worden vermeld als daarmee één geheel uitmakend
“een achter voormeld onroerend goed gelegen perceeltje tuin, [kadastrale aanduiding 3] , groot één are en vierentachtig centiare”. Dit laatstgenoemde perceeltje is vervolgens bij dezelfde rectificatieakte alsnog aan [partij A] geleverd.
3.Het geschil
primair(I) [partij A] te verbieden om enige maatregel te nemen ter handhaving of executie van de opgeschorte leveringsverplichting van [partij B] , zolang [partij A] niet aan de volgende cumulatieve voorwaarden heeft voldaan: (a) het appartementsrecht is feitelijk vrij van huur en gebruik, (b) de tuinpercelen zijn in de levering betrokken, dan wel schriftelijk aangeboden als onderdeel van het te transporteren geheel door het aanvaarden van de akte van levering; (c) de akte van levering is aangepast in die zin dat de daarin genoemde akte van splitsing wordt aangepast, overeenkomstig het voorstel in de gewijzigde conclusie van eis in reconventie, en dat een huishoudelijk reglement is opgesteld en (d) overeenstemming bestaat over de akte van levering, (II) [partij A] te veroordelen om mee te werken aan de totstandkoming van een notariële leveringsakte die voorziet in levering zes maanden na de totstandkoming van de cumulatieve voorwaarden, waarbij het appartementsrecht, inclusief de tuinpercelen, vrij van alle huur- en gebruiksrechten en met aanpassing van de splitsingsakte door [partij A] wordt overgedragen, (III) [partij A] te veroordelen om ervoor zorg te dragen dat de akte van levering is aangepast in die zin dat de daarin genoemde akte van splitsing wordt aangepast en dat er een huishoudelijk reglement is opgesteld en (IV) [partij A] te veroordelen om een bedrag van € 25.000,-- in depot te storten bij de notaris ter dekking van de herstelkosten van de structurele wateroverlast aan de voormalige binnenplaats, met vrijgave aan [partij B] na vaststelling van de herstelkosten.
Subsidiairvordert [partij B] [partij A] te verbieden om enige maatregel te nemen ter handhaving of executie van de opgeschorte leveringsverplichting van [partij B] , totdat [partij A] aantoonbaar heeft voldaan aan de hiervoor bij de primaire vordering onder I genoemde voorwaarden a tot en met d en [partij B] een redelijke termijn van zes maanden heeft gehad, te rekenen vanaf het moment dat [partij A] aan de voorwaarden heeft voldaan, om de financiering te regelen, de VvE-goedkeuring aan te passen/te verkrijgen, de benodigde vergunningsaanvragen in te dienen en de kadastrale verwerking van de tuinpercelen te bewerkstelligen. Ten slotte vordert [partij B]
primair en subsidiairte bepalen dat [partij A] een dwangsom verbeurt wanneer hij niet voldoet aan de uit te spreken veroordelingen, behoudens met betrekking tot de primaire vordering onder V, en vordert hij [partij A] te veroordelen in de volledige en evenredige proceskosten, waaronder de volledige advocaatkosten op grond van artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.De beoordeling van het geschil
“bereid en in staat”is om het appartementsrecht vrij van huur en gebruik aan [partij B] te leveren. Volgens [partij B] staan de in 2.10. bedoelde huurovereenkomsten van 31 juli 2025 met [naam 1] en de dansschool aan een levering vrij van huur en gebruik in de weg. Bovendien blokkeren deze huurovereenkomsten zijn mogelijkheden om het appartementsrecht te financieren, aldus [partij B] .
“bedrijfsruimte met woning, erf en tuin”is en dat er daarom bij de totstandkoming van de splitsing van uit is gegaan dat de tuin, inclusief de achterliggende percelen [kadastrale aanduiding 3] en [kadastrale aanduiding 2] , onderdeel was van het verkochte. Hoewel [partij B] er terecht op heeft gewezen dat in de rectificatieakte is vermeld dat [partij A] in 1986 het [kadastrale aanduiding 1] met [kadastrale aanduiding 2] heeft verkregen, dat [kadastrale aanduiding 3] juridisch is samengevoegd met de percelen [kadastrale aanduiding 1] en [kadastrale aanduiding 2] en dat daarom in de rectificatieakte is vermeld dat [kadastrale aanduiding 3] in de oorspronkelijke koopakte
“als daarmede één geheel uitmakend”had moeten worden vermeld, leidt deze vermelding er niet toe dat zonder meer duidelijk is wat de notaris bij de opstelling van de splitsingsakte voor ogen heeft gehad. Uit de splitsingsakte blijkt alleen dat [kadastrale aanduiding 1] is gesplitst in appartementsrechten, [kadastrale aanduiding 4] . Weliswaar heeft de notaris de latere verkrijging van [kadastrale aanduiding 3] in de splitsingsakte bevestigd, maar dat dit perceel en/of [kadastrale aanduiding 2] tot het verkochte behoort/behoren kan daaruit niet worden afgeleid. Het voorgaande betekent dat voorlopig alleen in voldoende mate vaststaat dat [partij B] , zoals ook is geoordeeld in het vonnis, recht heeft op levering van [kadastrale aanduiding 5] . Voor zover [partij B] meent dat tot het verkochte ook de tuinpercelen behoren, staat het hem vrij om daarop conservatoir beslag tot levering te leggen en vervolgens in een hoofdzaak te laten beoordelen of de koop mede deze twee tuinpercelen omvat. Dat [partij B] recht heeft op levering (ook) van deze twee percelen is gezien de gang van zaken rondom de koop en de feitelijke ligging van die percelen zeker voorstelbaar. In de al gevoerde bodemprocedure waarin (in twee instanties) de totstandkoming van een koopovereenkomst tussen partijen is vastgesteld heeft [partij B] niet of onvoldoende duidelijk gemaakt dat tot de koop ook de twee percelen behoorden. Dat een nieuwe (bodem)procedure ertoe zou kunnen leiden dat de omvang van gekochte appartementsrecht alsnog wordt uitgebreid met de twee tuinpercelen levert in deze kortgedingprocedure in ieder geval geen opschortingsrecht op.
“kan”worden vastgesteld. [partij B] heeft hiertegenover niet aannemelijk gemaakt dat er op [partij A] een verplichting rust om in aanvulling op het splitsingsreglement nog een huishoudelijk reglement op te stellen en daarmee ook niet dat die verplichting in de weg staat aan de levering van het appartementsrecht.
“Tevens goedkeuring finale splitsingsakte”is vermeld
“Niet akkoord, dat is een zaak van verkoper. Dit wordt nu op korte termijn afgerond.”. Zoals hiervoor al aan de orde kwam was [partij B] voor de start van de bodemprocedure bekend (of had hij bekend kunnen zijn) met de inhoud van de splitsingsakte en de daarin opgenomen stemverhouding. Verder is gesteld noch gebleken dat [partij B] over de stemverhouding met [partij A] afspraken heeft gemaakt. Hij heeft levering gevorderd van het appartementsrecht en dat betekent met alle uit de splitsingsakte kenbare karakteristieken, waaronder de daarin opgenomen stemverhouding. Die vordering is toegewezen, in twee instanties. In dit (tweede) kort geding beklaagt [partij B] zich nu plotseling over een zijns inziens ongunstige stemverhouding. Dat is te laat, en spoort niet met de vaststelling van de inhoud van de door [partij B] met [partij A] gesloten koopovereenkomst bij (inmiddels) onherroepelijk vonnis. Tegen die achtergrond ziet de voorzieningenrechter geen enkele grond voor [partij A] een verplichting aan te nemen om de splitsingsakte op dit punt aan te passen, voor zover al haalbaar.