ECLI:NL:RBDHA:2026:15591

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
NL25.12876
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken connexiteit met bezwaar of beroep

Verzoekster heeft bij besluit van 18 februari 2025 een afwijzing ontvangen op de ambtshalve beoordeling voor toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hiertegen maakte zij bezwaar en verzocht zij om een voorlopige voorziening om haar bezwaar in Nederland af te wachten.

De minister heeft op 21 april 2026 op het bezwaarschrift beslist. De rechtbank vroeg verzoekster of zij beroep instelde tegen dit besluit, maar de gemachtigde gaf aan geen beroep te zullen instellen. Hierdoor ontbreekt de vereiste samenhang (connexiteit) tussen het verzoek om voorlopige voorziening en een lopende bezwaar- of beroepsprocedure.

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek daarom niet-ontvankelijk en beoordeelt het verzoek niet inhoudelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van samenhang met bezwaar- of beroepsprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12876

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], v-nummer: [nummer], verzoekster

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. Bij besluit van 18 februari 2025 heeft de minister de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Daarover gaat deze uitspraak.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen inzake een bestreden besluit indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Gelet op bovengenoemd artikel moet er sprake zijn van een bezwaar of een beroep tegen een besluit, voordat een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening inhoudelijk kan worden behandeld. Dit is het zogenaamde connexiteitsvereiste.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek is ingediend naar aanleiding van het besluit van 18 februari 2025. Verzoekster verzoekt om een voorlopige voorziening die ertoe strekt dat zij haar bezwaar in Nederland mag afwachten. Bij besluit van 21 april 2026 heeft de minister beslist op het bezwaarschrift. Vervolgens heeft de rechtbank aan verzoekster gevraagd of zij beroep instelt tegen het besluit van 21 april 2026. De gemachtigde van verzoekster heeft aangegeven dat zij geen beroep instelt. Dit betekent dat het verzoek niet langer connex is aan een bezwaar- of beroepsprocedure zodat het verzoek niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Conclusie en gevolgen

5. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.