Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15583

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
NL24.40069
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 30b VwArt. 83a VwArt. 3 EVRMArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing opvolgende asielaanvraag wegens ontbreken nieuwe relevante elementen

Eiseres, van Somalische nationaliteit, diende een opvolgende asielaanvraag in nadat haar eerdere aanvraag was afgewezen wegens onvoldoende geloofwaardigheid van haar asielmotief rondom bedreigingen door Al-Shabaab en de moord op haar vader.

De minister verklaarde de opvolgende aanvraag kennelijk ongegrond omdat eiseres geen nieuwe relevante elementen of bevindingen had overgelegd die het eerdere besluit konden weerleggen. De rechtbank bevestigt dit oordeel na beoordeling van de overgelegde documenten, waaronder een werkpasje, werkgeversverklaring en politierapport, die niet objectief of betrouwbaar zijn bevonden.

Ook het standpunt dat eiseres als alleenstaande vrouw bescherming behoeft, wordt verworpen omdat zij een grootfamilie heeft en onvoldoende inspanningen heeft verricht om contact te herstellen. De rechtbank wijst het beroep af en verklaart het bestreden besluit in stand, zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.40069

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. F.S. Boedhoe),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(Gemachtigde: mr. J. Douma Gezina).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de kennelijk ongegrondverklaring van de opvolgende asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft overwogen dat eiseres geen nieuwe relevante elementen of bevindingen naar voren heeft gebracht op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat de afwijzing van haar asielverzoek in de eerste asielprocedure niet langer in stand kan blijven. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel voor eiseres heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiseres heeft een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1995. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 7 oktober 2024 kennelijk ongegrond verklaard volgens artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.
2.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 maart 2025 op zitting behandeld. De rechtbank heeft om redenen van doelmatigheid het onderzoek geschorst zodat de minister onderzoek kon doen naar de door eiseres ter onderbouwing van haar asielrelaas overgelegde originele documenten.
2.4.
Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek op 19 maart 2026 hervat en het beroep inhoudelijk op zitting behandeld. Eiseres is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

De eerdere asielprocedure
3.1.
Eiseres heeft eerder, op 13 september 2021, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiseres heeft aan de vorige aanvraag ten grondslag gelegd dat zij vanwege haar werkzaamheden bij een medische kliniek, genaamd de MCH-Kliniek gelegen in het district Karan in Mogadishu, is bedreigd door Al-Shabaab. Al-Shabaab wilde dat eiseres een pakketje met explosieven zou neerleggen in de kliniek waar zij werkte. Dit heeft eiseres geweigerd. Hierdoor is eiseres meerdere keren door Al-Shabaab bedreigd en is de vader van eiseres vermoord. Na nog een week te hebben gewerkt, is eiseres gevlucht. Eiseres vreest bij terugkeer naar Somalië te worden vermoord door Al-Shabaab. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 4 april 2022 afgewezen. In dit besluit heeft de minister de door eiseres gestelde problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig bevonden. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiseres hierdoor bij terugkeer niet te vrezen heeft voor vervolging dan wel een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM [2] . Bij uitspraak van deze rechtbank, van 23 augustus 2022 [3] is het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiermee staat het besluit van 4 april 2022 in rechte vast.
De huidige asielprocedure
4.1.
Op 13 september 2022 heeft eiseres een opvolgende asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiseres ten grondslag gelegd dat sprake is van nieuwe relevante elementen of bevindingen ten opzichte van de vorige procedure die de gestelde problemen met Al-Shabaab ondersteunen. Ter onderbouwing van haar opvolgende aanvraag heeft eiseres verschillende documenten overgelegd:
- Werkpasje van de MCH-Kliniek;
- Werkgeversverklaring van de MCH-Kliniek van 3 september 2022;
- Verklaring van de politie van 3 september 2022.
Standpunten partijen
5.1.
In het bestreden besluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de overgelegde documenten de gestelde problemen met Al-Shabaab niet ondersteunen. De minister voert daartoe – kort samengevat – aan dat de werkpasjes en de werkgeversverklaring op zichzelf niets zeggen over de gestelde problemen met Al-Shabaab. Daar komt bij dat de werkgeversverklaring op verzoek van eiseres is opgesteld en de genoemde data in het document niet kloppen. Het voorgaande doet daarmee afbreuk aan de objectiviteit van de werkgeversverklaring. De opgestelde verklaring van de politie is volgens de minister onbetrouwbaar en onderbouwt de gestelde problemen met Al-Shabaab niet. Daaruit blijkt namelijk niet welk onderzoek aan deze verklaring ten grondslag ligt en bovendien is ook dit document op verzoek van eiseres opgesteld. Daarnaast werpt de minister tegen dat de inhoud van de verklaring van de politie tegenstrijdig is met de verklaring van eiseres in de eerste asielprocedure dat zij nooit aangifte heeft gedaan. Gezien het voorgaande heeft eiseres volgens de minister geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde gebracht die relevant zijn voor de beoordeling van de opvolgende asielaanvraag. Wat eiseres aanvoert in deze procedure geeft volgens de minister namelijk geen aanleiding tot een ander oordeel dan in de eerdere afwijzende beschikking. De minister stelt verder dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij onder de categorie alleenstaande vrouw valt en op basis van deze status bescherming nodig heeft.
5.2.
Eiseres heeft de juistheid van het standpunt van de minister gemotiveerd betwist. Op hetgeen zij in dit verband heeft aangevoerd zal hieronder – voor zover relevant – worden ingegaan.
Nieuwe relevante elementen of bevindingen
6.1.
Bij de beoordeling van een opvolgende aanvraag beoordeelt de minister of er sprake is van nieuwe elementen en bevindingen die relevant kunnen zijn voor de aanvraag. Uit het arrest LH [4] en de daaropvolgende uitspraak van de Afdeling [5] van 26 januari 2022 [6] volgt dat deze beoordeling moet gebeuren aan de hand van twee fasen. In de eerste fase moet onderzocht worden of er nieuwe elementen en bevindingen zijn die verband houden met de vraag of de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. In de tweede fase moet de minister beoordelen of die nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Een nieuw element of nieuwe bevinding is niet relevant als op voorhand is uitgesloten dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan de overwegingen in het eerder genomen besluit.
6.2.
Uitgangspunt in deze procedure is het in rechte vaststaande besluit waarin de verklaringen van eiseres, over de problemen met Al-Shabaab na het weigeren van het plaatsen van explosieven in de MCH-Kliniek en de moord op haar vader als gevolg van de weigering, niet geloofwaardig zijn geacht omdat eiseres hierover summiere en wisselende verklaringen heeft afgelegd. De minister bekijkt het asielmotief van eiseres over de gestelde problemen met Al-Shabaab en de moord op haar vader opnieuw vanwege de stukken die eiseres aan haar opvolgende asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd en beoordeelt of dat wat uit de stukken volgt, mede gelet op de aard van die stukken, zodanig opweegt tegen eiseres eerdere ongeloofwaardig geachte verklaringen dat nu wel van die geloofwaardigheid van het bedoelde asielmotief moet worden uitgegaan.
6.3.
De rechtbank stelt allereerst vast dat uit het rapport van het onderzoek door Bureau Documenten naar de werkpasjes volgt dat geen onregelmatigheden zijn aangetroffen, maar dat gelet op het ontbreken van voldoende, betrouwbaar vergelijkingsmateriaal geen uitspraak kan worden gedaan over de echtheid van het document. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het werkpasje de gestelde problemen met Al-Shabaab niet onderbouwen. In dit kader werpt de minister terecht tegen dat het werkpasje niet aangeeft in welke periode eiseres in de MCH-Kliniek heeft gewerkt.
6.4.
De rechtbank stelt vast dat eiseres slechts kopieën heeft overgelegd van de werkgeversverklaring en het politierapport en geen originelen. Omdat eiseres eerder heeft aangegeven dat haar toenmalige gemachtigde de originelen van deze documenten naar de minister zou hebben verzonden is het onderzoek ter zitting van 14 maart 2025 geschorst om de minister in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te verrichten naar de documenten. Tijdens het onderzoek ter zitting van 19 maart 2026 is gebleken dat de minister geen originelen heeft ontvangen van de werkgeversverklaring en de verklaring van de politie en dat niet kan worden vastgesteld dat eiseres de originele documenten alsnog heeft ingediend. De rechtbank is verder van oordeel dat ten aanzien van de overgelegde werkgeversverklaring en het politierapport de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de opgestelde documenten niet uit een objectieve bron afkomstig zijn en de inhoud van de stukken de gestelde problemen met Al-Shabaab niet kunnen onderbouwen. De minister heeft hierbij kunnen betrekken dat de bewijswaarde van de documenten wordt verzwakt door de omstandigheid dat volgens de verklaringen van eiseres over de verkrijging en de totstandkoming van de stukken, de hierin opgetekende verklaringen van de werkgever en de politie op verzoek van eiseres zijn opgesteld. Daarmee is de weergegeven informatie gebaseerd op de verklaringen van eiseres zelf terwijl dit juist de verklaringen zijn die in de eerdere asielprocedure ongeloofwaardig zijn geacht. Daarnaast heeft de minister kunnen tegenwerpen dat uit het politierapport niet blijkt op welke wijze de politie het onderzoek heeft verricht en hoe de getrokken conclusies tot stand zijn gekomen. Daarbij kon ook worden meegewogen dat eiseres in de eerdere asielprocedure heeft verklaard geen aangifte te hebben gedaan. Ten aanzien van de werkgeversverklaring heeft de minister terecht meegewogen dat de nieuwe werkgeversverklaring tegenstrijdigheden bevat ten opzichte van de eerder overgelegde werkgeversverklaring. Zo worden er andere data genoemd en staan er andere werkzaamheden beschreven. Tot slot merkt de rechtbank in dit verband nog op dat het opmerkelijk is dat de datum van dagtekening van zowel de overgelegde werkgeversverklaring als het politierapport, hetzelfde is.
6.5.
De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres door haar gestelde werkzaamheden in de MCH-Kliniek, een hoger risico heeft op willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn [7] als zij terugkeert naar Somalië. Er is niet door eiseres onderbouwd dat ziekenhuizen eerder doelwit zijn van Al-Shabaab.
6.6.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuwe relevante elementen of bevindingen die het asielmotief van eiseres ondersteunen en heeft de minister de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook zijn er geen bijzondere feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 83a van de Vw die maken dat de rechtbank het bestreden besluit desondanks moet toetsen als ware het de afwijzing van een eerste aanvraag.
Risico bij terugkeer naar Somalië als alleenstaande vrouw
7.1.
In het beleid van de minister [8] is opgenomen dat alleenstaande vrouwen in Somalië als risicoprofiel worden aangemerkt. Of een vrouw in Somalië als alleenstaande wordt gezien en daarom bescherming nodig heeft, hangt onder meer af van de aanwezigheid van grootfamilie in het land van herkomst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het bestreden besluit en ter zitting er terecht op gewezen dat uit de verklaringen van eiseres volgt dat zij een grootfamilie heeft en dat eiseres met haar moeder, broers, zus en nichtjes samen op het laatste woonadres in Somalië heeft gewoond en dat het niet ondenkbaar is dat eiseres bij terugkeer daarom op hen kan terugvallen. Dat eiseres stelt geen contact te hebben met familieleden, omdat zij sinds 2021 in Nederland verblijft, heeft de minister dan ook onvoldoende mogen vinden om aan te nemen dat eiseres bij terugkeer naar Somalië geen netwerk meer heeft. Het contact met haar familieleden kan immers hersteld worden. De rechtbank stelt vast dat tijdens de zitting niet is gebleken dat eiseres ook inspanningen heeft verricht om het contact met haar familieleden te herstellen terwijl dit wel van eiseres verwacht mag worden. De beroepsgrond slaagt niet.
Tot slot
8.1.
Voor zover eiseres beoogt te betogen dat zij vanwege haar gestelde relatie op grond van artikel 8 EVRM Pro een verblijfsrecht zou moeten krijgen stelt de rechtbank vast dat de ter zitting gestelde relatie van eiseres niet eerder naar voren is gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres voorafgaand aan de zitting voldoende gelegenheid gehad om hierover te verklaren. Daarnaast is de gestelde relatie niet nader geconcretiseerd en/of onderbouwd. Nu eiseres dit niet heeft gedaan neemt de rechtbank het voorgaande niet mee in haar beoordeling.

Conclusie en gevolgen

9.1.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9.2.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Jongmans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.(Europees) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
3.Geregistreerd onder zaaknummer NL22.5901.
4.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:478.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming.
8.Paragraaf C7/30.3.2 en C7/30.3.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000.