Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 12 lid 4 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 30 lid 1 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Slowakije op grond van Dublinverordening
Eiser, een Oezbeekse nationaliteit, vroeg op 17 februari 2026 asiel aan in Nederland. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling omdat Slowakije verantwoordelijk is voor de asielprocedure, gezien een eerder verleend visum van Slowakije en de acceptatie van het overnameverzoek door Slowakije.
Eiser stelde dat verweerder onvoldoende rekening hield met structurele tekortkomingen in Slowakije en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is. Hij verwees naar rechtbankuitspraken over misstanden in Slowakije en betoogde dat de aanvraag aan Nederland had moeten worden toegekend op grond van artikel 17 vanPro de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit zorgvuldig en voldoende gemotiveerd is voorbereid. Er is geen bewijs dat Slowakije systematische tekortkomingen vertoont die een schending van artikel 3 EVRMPro en artikel 4 HandvestPro veroorzaken. De garanties van Slowakije en het ontbreken van individuele bijzondere omstandigheden maken dat verweerder terecht geen inhoudelijke behandeling van de aanvraag heeft verricht.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24805
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 30 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Slowakije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1986 en de Oezbeekse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 17 februari 2026 asiel aangevraagd in Nederland.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in het EU-VIS blijkt dat Slowakije aan eiser een visum heeft verleend dat geldig was van 12 december 2025 tot 5 januari 2026. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening [3] de Slowaakse autoriteiten verzocht om eiser over te nemen. De autoriteiten van Slowakije hebben dit verzoek op 21 april 2026 geaccepteerd.
3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet alle ingebrachte aspecten heeft benoemd en kenbaar heeft betrokken in het voornemen. De erkenning in het bestreden besluit dat eiser geen asiel heeft aangevraagd in Slowakije, alsmede de onterechte toets aan de criteria voor een terugname in plaats van een overname, had volgens eiser moeten leiden tot intrekking van het bestreden besluit. Eiser stelt zich op het standpunt dat in Slowakije sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Eiser verwijst naar de in de zienswijze genoemde rechtbankuitspraken en stelt dat verweerder de in de uitspraken genoemde misstanden niet heeft betwist. Vanwege deze tekortkomingen kan volgens eiser niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Om die reden had verweerder de asielaanvraag volgens eiser aan zich moeten trekken op grond van artikel 17 vanPro de Dublinverordening. Verweerder heeft dit volgens eiser ongemotiveerd gepasseerd. De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De omstandigheid dat verweerder een gestandaardiseerd voornemen heeft uitgebracht ter voorbereiding van het bestreden besluit, leidt als zodanig niet tot een geslaagd beroep. Ter beoordeling is of het bestreden besluit zorgvuldig is voorbereid en voldoende is gemotiveerd. Het ter voorbereiding uitgebrachte voornemen heeft geen zelfstandige rechtsgevolgen en is geen voorwerp van toetsing door de bestuursrechter. Vaststaat dat eiser in de gelegenheid is geweest om op het voornemen zijn zienswijze te geven. Hiermee is het bestreden besluit procedureel zorgvuldig voorbereid.
5. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn overdracht aan Slowakije zal leiden tot een schending van artikel 3 vanPro het EVRM en artikel 4 vanPro het Handvest. Uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag gaan dat Slowakije zijn Unierechtelijke verplichtingen en verdragsverplichtingen nakomt. Van dit uitgangspunt kan alleen worden afgeweken wanneer in Slowakije sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen. Eiser heeft geen stukken overgelegd om dit te onderbouwen. Eiser heeft daarnaast geen ervaringen als asielzoeker in Slowakije. Zoals verweerder in het bestreden besluit vaststelt, wordt in de rechterlijke uitspraken waarnaar eiser in zijn zienswijze heeft verwezen, ondanks de vastgestelde tekortkomingen in de opvang van asielzoekers in Slowakije, niet geoordeeld dat sprake is van systeemfouten. De rechtbank ziet geen reden om daar nu anders over te denken. Daarbij komt dat de Slowaakse autoriteiten met de aanvaarding van het overnameverzoek hebben gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen met inachtneming van de verplichtingen die voortvloeien uit de Europese asielrichtlijnen en internationale verdragen. Indien eiser meent dat Slowakije daarin tekortschiet, ligt het op zijn weg daarover in Slowakije te klagen. Niet is gebleken da dit voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
6. Aangezien eiser verder geen bijzondere individuele omstandigheden heeft gesteld, heeft verweerder geen gebruik hoeven maken van zijn bevoegdheid op grond van artikel 17 vanPro de Dublinverordening om de asielaanvraag van eiser onverplicht inhoudelijk te behandelen.
7. De aanvraag is terecht niet in behandeling genomen.
8. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 5 juni 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Voetnoten
1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).