Eiser, een Turkse staatsburger, diende op 6 februari 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking 'arbeid als zelfstandige'. Verweerder wees deze aanvraag op 16 april 2024 af vanwege een onvoldoende onderbouwd ondernemingsplan en legde tevens een terugkeerbesluit op. Na een ongegrond verklaard bezwaar bleef verweerder bij zijn standpunt.
Eiser stelde dat verweerder het ondernemingsplan had moeten voorleggen aan de minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en dat hij was vrijgesteld van het diplomavereiste op grond van het Associatieverdrag EEG-Turkije. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht controleerde of het ondernemingsplan voldeed aan de vereisten, waaronder een gedegen marktanalyse toegespitst op de regio, en dat verweerder niet verplicht was het plan door te sturen bij gebreken.
De rechtbank verwierp de stellingen van eiser dat hij was vrijgesteld van bepaalde bewijsstukken en dat hij niet over financiële onderbouwing hoefde te beschikken. Eiser had onvoldoende onderbouwd waarom hij bepaalde stukken niet kon overleggen en had de gebreken niet hersteld. Daarom was de afwijzing terecht.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter N. Boonstra op 8 juni 2026.