De zaak betreft een verzoek van een vreemdeling die bezwaar maakte tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie dat zijn recht op tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 is geëindigd en dat de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt op 4 september 2025. Vanaf die datum mag de vreemdeling niet meer werken en moet hij binnen vier weken vertrekken uit de opvang en Nederland.
De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen dit besluit en tegelijkertijd een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend om de gevolgen van het besluit tijdelijk te staken. De voorzieningenrechter heeft het verzoek samen met het beroep op 20 januari 2026 behandeld.
Na de behandeling van het beroep is door de rechtbank uitspraak gedaan, waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.