ECLI:NL:RBDHA:2026:15516

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
26/3307
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 4:17 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond verklaard wegens niet tijdig beslissen op bezwaar door College van procureurs-generaal

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het College van procureurs-generaal op hun bezwaar van 23 april 2024. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat verweerder in gebreke is gesteld op 3 maart 2026, waarna het beroep is ingesteld.

De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen. Verweerder wordt opgedragen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen op het bezwaar. Tevens wordt een maximale bestuurlijke dwangsom van €1.442,- opgelegd en een dagdwangsom van €100,- per dag met een maximum van €15.000,- voor overschrijding van de beslistermijn.

Er is geen proceskostenveroordeling, maar verweerder moet het betaalde griffierecht van €200,- aan eisers vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter M.D. Gunster en uitgesproken op 17 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen zes weken alsnog een besluit te nemen onder oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/3307

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen

[eisers sub 1], [eisers sub 2] en [eisers sub 3], te [woonplaats], eisers,

en

het College van procureurs-generaal, verweerder.

Procesverloop

Eisers hebben op 27 maart 2026 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op het bezwaar van 23 april 2024 (het bezwaar).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [1] Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [2]
3. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn waarbinnen op het bezwaar diende te worden beslist, is verstreken. Eisers hebben verweerder op 3 maart 2026 in gebreke gesteld en meer dan twee weken daarna beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun bezwaar. Niet gebleken is dat verweerder alsnog heeft beslist op het bezwaar.
4. Het beroep is daarom kennelijk gegrond.
5. Verweerder is een maximale bestuurlijke dwangsom van € 1442,- verschuldigd. [3]
6. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen op het bezwaar van eisers, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit, gezien de argumenten van verweerder in zijn verweerschrift, doen binnen zes weken na het verzenden van deze uitspraak. [4]
7. Verweerder moet een rechterlijke dwangsom van € 100,- betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde beslistermijn overschrijdt. [5] Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
8. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken op het bezwaar;
- stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
- bepaalt dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 200,- aan eisers te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van
F.J. Leegstraten, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
2.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
3.Artikel 4:17, derde lid, van de Awb.
4.Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
5.Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.