ECLI:NL:RBDHA:2026:1550

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
09/274246-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling bedrijfsinbraken en pogingen met voorwaardelijke straf en klinische opname

De rechtbank Den Haag heeft op 22 januari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van meerdere bedrijfsinbraken en pogingen daartoe in Zoetermeer tussen 28 september en 13 oktober 2025. De verdachte heeft bekend en de feiten zijn wettig en overtuigend bewezen verklaard.

De rechtbank heeft rekening gehouden met de ernst van de feiten, de recidive van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder verslavingsproblematiek en psychosociale problemen. De verdachte toonde spijt en bereidheid tot behandeling, wat meeweegt in de strafoplegging.

De opgelegde straf bestaat uit een gevangenisstraf van 365 dagen, waarvan 257 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, verbonden aan bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen en controle op middelengebruik. Daarnaast is een taakstraf van 100 uur opgelegd.

De benadeelde partij kreeg een gedeeltelijke schadevergoeding van €277,38 aan materiële schade toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 12 oktober 2025. De vordering tot immateriële schade werd niet-ontvankelijk verklaard. De verdachte is veroordeeld tot betaling van de toegewezen schadevergoeding en proceskosten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 365 dagen gevangenisstraf waarvan 257 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een taakstraf van 100 uur, met gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/274246-25
Datum uitspraak: 22 januari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats 1] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 22 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.T. Verweijen en hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.G.M. Dassen naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 28 september 2025 tot en met 13 oktober 2025 te Zoetermeer meermaals, in elk geval één keer, geld en/of een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 1] en/of padel- en tennisvereniging ALTV en/of [naam 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of het weg te nemen geld en/of telefoon, in elk geval enig goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.
2
hij op of omstreeks de periode van 12 oktober 2025 tot en met 13 oktober 2025 te Zoetermeer meermaals, althans één maal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld en/of goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 6] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, door het ingooien van een ruit, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025330816, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 223 van het proces-verbaal voorgeleidingsdossier dan wel pagina 1 t/m 21 van het aanvullend proces-verbaal).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
Ten aanzien van feit 1
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 januari 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [naam 7] , opgemaakt op 29 september 2025, (p. 94 - 95 proces-verbaal voorgeledingsdossier);
3. Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] , opgemaakt op 30 september 2025 (p. 57 – 59 proces-verbaal voorgeledingsdossier);
4. Het proces-verbaal van aangifte van [naam 2] , opgemaakt op 13 oktober 2025 (p. 217 – 218 proces-verbaal voorgeledingsdossier).
Ten aanzien van feit 2
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 januari 2026;
2 Het proces-verbaal van aangifte van [naam 3] , opgemaakt op 15 oktober 2025 (p. 133 – 134 proces-verbaal voorgeledingsdossier);
3. Het proces-verbaal van aangifte van [naam 5] , opgemaakt op 14 oktober 2025 (p. 178 – 179 proces-verbaal voorgeledingsdossier);
4. Het proces-verbaal van aangifte van [naam 6] , opgemaakt op 13 oktober 2025 (p. 202 – 204 proces-verbaal voorgeledingsdossier).
3.2.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij in de periode van 28 september 2025 tot en met 13 oktober 2025 te Zoetermeer meermaals geld en een telefoon dat/die geheel aan [naam 1] of padel- en tennisvereniging ALTV of [naam 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen geld of telefoon, onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
2
hij omstreeks 12 oktober 2025 te Zoetermeer meermaals ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld en goederen dat/die geheel aan [naam 3] of [naam 4] of [naam 5] of [naam 6] toebehoorden, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en dat weg te nemen geld en goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, door het ingooien van een ruit, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 257 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met de bijzondere voorwaarden die zijn geadviseerd door de reclassering. Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van een taakstraf gevorderd van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft een gevangenisstraf bepleit van 365 dagen, waarvan 257 dagen voorwaardelijk worden opgelegd, met de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering. De raadsman heeft ervoor gepleit geen taakstraf op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich binnen een korte periode schuldig gemaakt aan drie bedrijfsinbraken en drie pogingen tot bedrijfsinbraak. De verdachte heeft de inbraken en pogingen daartoe gepleegd door ’s avonds of ’s nachts een ruit in te gooien met een steen of stoeptegel, of door een deur te forceren. De verdachte heeft daarmee geen enkel respect getoond voor de eigendommen van anderen en veel schade en overlast veroorzaakt. Door zijn handelswijze heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het gevoel van veiligheid van de aangevers. Inbraken zorgen in het algemeen voor gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 15 december 2025. Daaruit volgt dat de verdachte veelvuldig vermogensdelicten heeft gepleegd, waaronder een fors aantal (gekwalificeerde) diefstallen. Ten aanzien van de onderhavige feiten is dan ook sprake van veelvuldige recidive.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 14 januari 2026, waaruit volgt dat sprake is van verslavingsproblematiek, problematiek op het gebied van psychosociaal functioneren en een pro-criminele houding. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. De reclassering adviseert bij een deels voorwaardelijke veroordeling van de verdachte hem bijzondere voorwaarden op te leggen, bestaande uit een meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opname, aflossing van schulden en beheersing van het middelengebruik.
De verdachte heeft ter terechtzitting zijn verantwoordelijkheid genomen voor wat hij heeft gedaan, en er ook blijk van gegeven veel spijt te hebben en zich te schamen tegenover de slachtoffers. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij graag geholpen wil worden en dat hij hard wil gaan werken aan zijn verslavingsproblematiek. Deze houding weegt de rechtbank in het voordeel van de verdachte mee.
Strafoplegging
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank ziet aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, met een proeftijd van drie jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden te verbinden, met uitzondering van de voorwaarde dat de verdachte zijn schulden moet aflossen. Dit voorwaardelijk strafdeel zal worden opgelegd om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat de verdachte een oplossing vindt zijn problematiek en zo de kans op recidive terug te dringen.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van de duur van 365 dagen passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 257 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en na te melden bijzondere voorwaarden. Daarnaast zal de rechtbank, anders dan de raadsman heeft bepleit, wel een taakstraf opleggen voor de duur van 100 uur in verband met de ernst en veelheid aan feiten.

7.De vordering van de benadeelde partij

[naam 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 457,38, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 277,38 aan materiële schade voor het herstellen van een ruit, en € 180,00 aan immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade voldoende is onderbouwd en kan worden toegewezen. De officier van justitie concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de immateriële schade.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft evenals de officier van justitie gesteld dat de materiële schade toewijsbaar is en dat de vordering tot immateriële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De vordering voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade van € 277,38 is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. De rechtbank zal deze vordering daarom toewijzen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag toewijzen met ingang van 12 oktober 2025, omdat is komen vast te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
De rechtbank zal de benadeelde partij wat betreft zijn vordering voor immateriële schade, niet ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering is (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Proceskosten
Aangezien de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 3.2 sub 2 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld, de verdachte is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 277,38, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [naam 5] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2:
poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
365 (driehonderdvijfenzestig) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
257 (tweehonderdzevenenvijftig) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
drie jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
Meldplicht
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de GGZ Reclassering Fivoor [plaats 2] , op het adres [adres] , op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht; en
Opname in een zorginstelling
- zich gedurende de proeftijd, of zoveel korter als zijn behandelaars in overleg met de reclassering nodig achten, laat opnemen in [instelling] , althans een soortgelijke intramurale instelling, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van deze instelling worden gegeven; en
Ambulante behandeling met mogelijke korte opname
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van [zorgverlener] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de hele proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. De veroordeelde meldt zich op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Dit teneinde zich te laten behandelen voor de veroordeelde zijn psychische- en verslavingsproblematiek; en
Indien daartoe aanleiding is, zoals bij een terugval in middelengebruik, bij overmatig middelengebruik of in geval van ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert zal, nadat dit door de rechter is bevolen, de verdachte zich laten opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt 7 weken of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt.
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
- gedurende de proeftijd verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start na afronding van de klinische opname. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;
Beheersing middelengebruik
- zich verplicht mee te werken aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek, ademonderzoek (blaastest) en speekselonderzoek gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
veroordeelt de verdachte verder tot:
een taakstraf voor de tijd van
100 (honderd) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
50 (vijftig) DAGEN;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf;
de vordering van de benadeelde partij;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam 5] deels toe tot een bedrag van € 277,38 aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 oktober 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [naam 5] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen ten behoeve van [naam 5] een bedrag van € 277,38 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2025 tot aan de dag der algehele betaling;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 2 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Stat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.W. Duijnstee, voorzitter,
mr. E.C. Kole, rechter,
mr. H.G. Egter van Wissekerke, rechter,
in tegenwoordigheid van J.J. Koster, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 januari 2026.