Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam minderjarige], V-nummer: [V-nummer 2] , hierna tezamen: eiseres
Rechtbank Den Haag
Eiseres diende een opvolgende asielaanvraag in met als grond haar seksuele geaardheid en identiteitsgroei sinds de eerdere procedure. De minister wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van deze motieven, waarbij verweerder stelde dat de verklaringen van eiseres over haar seksuele geaardheid en relatie onvoldoende concreet en samenhangend waren.
De rechtbank toetste de geloofwaardigheid aan de hand van de Werkinstructie 2019/17 en bevestigde dat eiseres niet voldeed aan de verzwaarde bewijslast die geldt bij opvolgende asielaanvragen. De verklaringen over haar gevoelens, relatie en betrokkenheid bij LHBTIQ+ organisaties werden als vaag, oppervlakkig en onvoldoende onderbouwd beoordeeld.
De rechtbank concludeerde dat de seksuele geaardheid niet aannemelijk was gemaakt en dat dit geen asielgrond opleverde. Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag en het opgelegde inreisverbod bleven in stand.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag wegens ongeloofwaardige seksuele geaardheid.