ECLI:NL:RBDHA:2026:1549
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, welke door de minister is afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen gedurende de bezwaarprocedure.
De voorzieningenrechter erkent het spoedeisend belang vanwege de vreemdelingenbewaring en de geplande presentatie aan de Nigeriaanse autoriteiten. Desondanks oordeelt zij dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Verzoeker stelde dat zijn medische situatie, met name artrose en knieprothese, onvoldoende is meegewogen, wat zou leiden tot een motiveringsgebrek.
De minister heeft echter gemotiveerd toegelicht dat geen medische noodsituatie op korte termijn wordt verwacht bij uitblijven van behandeling. Het BMA-advies ondersteunt dit standpunt. Ook is niet gebleken dat de pijnklachten en het uitblijven van behandeling leiden tot een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om voorlopige voorziening af en bepaalt dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.