ECLI:NL:RBDHA:2026:1549

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
NL25.58820
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 VwArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArtikel 3 EVRMArtikel 4 Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, welke door de minister is afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen gedurende de bezwaarprocedure.

De voorzieningenrechter erkent het spoedeisend belang vanwege de vreemdelingenbewaring en de geplande presentatie aan de Nigeriaanse autoriteiten. Desondanks oordeelt zij dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Verzoeker stelde dat zijn medische situatie, met name artrose en knieprothese, onvoldoende is meegewogen, wat zou leiden tot een motiveringsgebrek.

De minister heeft echter gemotiveerd toegelicht dat geen medische noodsituatie op korte termijn wordt verwacht bij uitblijven van behandeling. Het BMA-advies ondersteunt dit standpunt. Ook is niet gebleken dat de pijnklachten en het uitblijven van behandeling leiden tot een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om voorlopige voorziening af en bepaalt dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58820

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam] , verzoeker,

V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. J. Sinnema).
en

de minister van Asiel en Migratie.

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening, waarmee verzoeker uitzetting bedoelt te voorkomen gedurende de behandeling van zijn bezwaarschrift. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend om toepassing van artikel 64 van Pro de Vw. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 20 mei 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoekt de voorzieningenrechter om het besluit van 20 mei 2025 te schorsen.
2.1.
Op 16 januari 2026 is verzoeker in vreemdelingenbewaring gesteld.
2.2.
De minister heeft een reactie op het verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist en kan, als partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, ook uitspraak doen zonder dat een zitting plaatsvindt. [1] De voorzieningenrechter beoordeelt bij een verzoek om een voorlopige voorziening hangende een procedure of deze procedure een redelijke kans van slagen heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
Is sprake van een spoedeisend belang?
4. De voorzieningenrechter is, anders dan de minister, van oordeel dat er wel sprake is van spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening. De stelling van de minister dat geen sprake is van spoedeisendheid van het verzoek om een voorlopige voorziening omdat er geen concrete aanwijzing is dat op korte termijn een uitzetting zal plaatsvinden, volgt de voorzieningenrechter niet. Verzoeker is momenteel in bewaring gesteld en wordt op 30 januari 2026 gepresenteerd aan de Nigeriaanse autoriteiten. Ook heeft de minister aangegeven dat er op 20 januari 2026 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden. Het feit dat verzoeker verwijderbaar is, brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter al mee dat sprake is van een spoedeisend belang.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
5. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
5.1.
Verzoeker voert aan dat bij de beoordeling of er sprake is van een artikel 3 EVRM Pro [2] risico niet gekeken is naar zijn artrose in de besluitvorming. Het Bureau Medische Advisering (BMA) heeft dit wel benoemd, maar volgens verzoeker is hier in de besluitvorming niets mee gedaan. Er is niet gemotiveerd of de artrose en de vervanging van de knie (prothese) zal zorgen voor een medische noodsituatie op korte termijn. Verzoeker stelt dan ook dat sprake is van een motiveringsgebrek. Voorts verwijst verzoeker naar het arrest X t. Nederland en het BMA-protocol najaar 2023 en stelt dat bij uitblijven van de behandeling aan de knie de pijn zal verergeren en pijn ook een belangrijke indicator is om een vergunning ex art. 64 Vw Pro te verlenen. Volgens verzoeker is dit ten onrechte niet in het besluit gemotiveerd. Verder is door de minister niet gemotiveerd waarom er met betrekking het uitblijven van de behandeling door de longarts en de CPAP verzoeker meer last zal krijgen van snurken en nachtelijke ademstops.
5.2.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, kan de minister gevolgd worden in zijn stelling dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De minister is in zijn reactie van 28 januari 2026 gemotiveerd ingegaan op de bezwaren van verzoeker. Uit het BMA-advies van 23 april 2025, dat ten grondslag ligt aan het besluit van 20 mei 2025, volgt dat bij het uitblijven van de behandeling van de orthopeed geen medische noodsituatie op korte termijn wordt verwacht. De minister heeft zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de knieklachten en het uitblijven van een behandeling geen medische noodsituatie oplevert. Dat in het primaire besluit wel is ingegaan op de behandeling van de longarts en CPAP [3] en niet op de artrose/knieklachten en de behandeling door de orthopeed leidt niet tot een ander oordeel. De minister mocht hier bovendien bij betrekken dat uit de gronden van verzoeker is gebleken dat verzoeker inmiddels een prothese heeft gekregen en uit het rapport van het BMA volgt dat de behandeling door de orthopeed van tijdelijke duur was, namelijk ter overbrugging van de wachttijd van de knieprothese. Verzoeker heeft verder geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat dit anders is. Daarnaast heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat niet elk risico van een toename van pijn als gevolg van de terugkeer naar het land van herkomst ertoe leidt dat hij wordt blootgesteld aan een met artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Evenmin heeft verzoeker aangetoond dat dit in zijn geval wel zo zou zijn en blijkt dit ook niet uit het BMA-advies. Tot slot heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat uit het BMA-advies niet volgt dat het uitblijven van de behandeling door de longarts en CPAP leidt tot een medische noodsituatie op korte termijn.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:81, eerste lid, in samenhang met artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
3.Continuous Positive Airway Pressure