Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15445

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
SGR 25/2061
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 3.26 Wet natuurbeschermingArt. 5.1 OmgevingswetArt. 5.9a Bkl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing beroep tegen afwijzing verlenging jachtakte wegens onvoldoende motivering

Eiser diende op 24 juli 2024 een aanvraag in voor verlenging van zijn jachtakte. De korpschef van de Nationale Politie wees deze aanvraag op 8 augustus 2024 af vanwege zorgen over mogelijke gevaren voor zichzelf en de openbare orde, mede gebaseerd op relationele problemen en aangiftes van zijn ex-partner. De minister handhaafde deze weigering op 28 januari 2025. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit.

De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De minister baseerde zijn twijfel op een psychiatrische rapportage die juist concludeerde dat eiser succesvol omgaat met stressvolle omstandigheden en geen onvoorspelbaar gedrag vertoont. De rechtbank stelt dat de minister onvoldoende en niet-objectief toetsbaar heeft onderbouwd waarom eiser een gevaar zou vormen.

Daarnaast faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat geen concrete toezegging is gedaan door het bestuursorgaan. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens moet de minister het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering; de minister moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2061

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen),
en

de Minister van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. A.L. de Gier).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit (jachtakte). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 24 juli 2024 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor verlenging van zijn jachtakte.
2.1.
Met het besluit van 8 augustus 2024 (het primaire besluit) heeft de korpschef van de Nationale Politie (de korpschef) de aanvraag van eiser afgewezen.
2.2.
Met het besluit van 28 januari 2025 (het bestreden besluit) op het administratief beroep van eiser heeft de minister de weigering van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een jachtakte in stand gelaten.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De minister heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft nadere stukken overgelegd.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser beschikte over een jachtakte, als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, onder a, van de Wet natuurbescherming, zoals die gold tot 1 januari 2024.
3.1.
Op 8 september 2022 heeft eiser telefonisch contact opgenomen met de politie vanwege problemen in de relationele sfeer. Eiser heeft daarbij aangegeven dat hij bang was dat zijn (inmiddels ex-)partner mogelijk melding zou maken bij de politie, waarin zij zou stellen dat hij haar met zijn wapens bedreigd had, omdat zijn wapens zich in hun gezamenlijke woning bevonden. Eiser heeft deze situatie op eigen initiatief onder de aandacht gebracht van de politie. Naar aanleiding hiervan – en na een gesprek tussen de politie en de partner van eiser – zijn de wapens tijdelijk in bewaring genomen door medewerkers van de afdeling Korpscheftaken Midden-Nederland.
3.2.
De partner van eiser heeft op 3 oktober 2023 en 26 januari 2024 aangifte gedaan tegen eiser. Zij heeft daarbij verklaard dat zij bang was dat eiser haar iets zou aandoen en dat zij vreesde voor haar leven. Daarnaast zijn er in die periode meerdere civiele rechtszaken aanhangig geweest tussen eiser en zijn partner, die inmiddels zijn afgerond.
3.3.
Op 15 maart 2024 heeft eiser aangifte gedaan tegen zijn partner wegens smaad, laster en een inbreuk op zijn privacy.
3.4.
Eiser is per 13 april 2024 verhuisd naar [plaats] .
3.5.
Op 24 juli 2024 heeft eiser een aanvraag gedaan om zijn jachtakte te verlengen met een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder f, van de Omgevingswet.
3.6.
Sinds eiser naar [plaats] is verhuisd, valt hij onder de verantwoordelijkheid van de afdeling Korpscheftaken Den Haag. De korpschef heeft de aanvraag van eiser met het primaire besluit afgewezen, omdat hij vanwege de problemen in de relatie tussen eiser en zijn partner van mening is dat er grond is om aan te nemen dat eiser een gevaar zou kunnen vormen voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid, dan wel dat eiser nalatig zou kunnen handelen bij de uitoefening van de jacht.
3.7.
De minister heeft de weigering van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een jachtakte in stand gelaten.
Juridisch kader
4. Op grond van artikel 5.9a van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beslist de korpschef op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit. In artikel 8.74t, tweede lid, onder a van het Bkl is bepaald dat een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit, ondanks voldoening aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, wordt geweigerd als er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de bevoegdheid een geweer en munitie voorhanden te hebben, van de bevoegdheid om de jacht uit te oefenen of van hem toekomende bevoegdheden in het kader van het beheren van het beheren van populaties van in het wild levende dieren of het bestrijden van schadeveroorzakende dieren misbruik zal maken, of zodanig gebruik zal maken dat hij een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen. Bij de invulling van dit ‘vrees voor misbruik’ criterium heeft de korpschef beoordelingsruimte. Hierbij hanteert hij de Circulaire wapens en munitie 2019 (Cwm 2019).
4.1.
Het is vaste rechtspraak dat degene aan wie een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit is verleend zich in een uitzonderingspositie bevindt ten opzichte van andere burgers, voor wie het algemene verbod op het voorhanden hebben en dragen van wapens en munitie geldt. Deze uitzonderingspositie brengt mee dat in de houder van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit het vertrouwen moet kunnen worden gesteld, dat hij zich strikt aan de toepasselijke regels zal houden en zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde. Geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de gemaakte uitzondering is al voldoende grond om daaraan een einde te maken. Deze twijfel moet onderbouwd en objectief toetsbaar zijn. [1]
Is de aanvraag terecht afgewezen?
5. Eiser betoogt dat zijn aanvraag ten onrechte is afgewezen. Eiser voert hiertoe aan dat er geen reden is om te vrezen dat hij een gevaar zou kunnen vormen voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid, dan wel dat eiser nalatig zou kunnen handelen bij de uitoefening van de jacht. Volgens eiser kent de minister ten onrechte geen doorslaggevende betekenis toe aan de psychiatrische rapportage van WPEX uit 2023, geactualiseerd in oktober 2024, waaruit blijkt dat eiser succesvol omgaat met stressvolle persoonlijke omstandigheden. Volgens eiser heeft de minister zich daarbij ten onrechte op het standpunt gesteld dat nog altijd sprake was een explosieve situatie in de relationele sfeer die reden zou zijn voor weigering. Eiser is van mening dat doorslaggevend gewicht toegekend moet worden aan de psychiatrische rapportage, waaruit volgt dat er geen risico bestaat bij eiser voor het hebben van wapens en munitie. Eiser acht bovendien van belang dat de aangiftes van zijn partner vrijwel direct zijn geseponeerd en dat hij inmiddels een nieuwe relatie heeft.
5.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat twijfel bestaat of het verantwoord is om aan eiser een jachtakte te verlenen. De minister acht hierbij van belang dat uit de psychiatrische rapportage blijkt dat de stressvolle situatie nog steeds bestaat en mogelijk kan toenemen. De minister stelt zich in dat licht op het standpunt dat de psychiatrische rapportage niet overtuigend aantoont dat geen enkel risico voor de veiligheid en de openbare orde meer bestaat. De minister betwist niet dat eiser op een gezonde manier met stress omgaat, maar stelt zich wel op het standpunt dat ook geringe twijfel over de stabiliteit van de persoonlijke omstandigheden voldoende is om een aanvraag om een jachtakte te weigeren.
5.2.
De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van het beroep de dag van het bestreden besluit het peilmoment is.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat of het aan iemand kan worden toevertrouwd om wapens of munitie onder zich te hebben, volgens de Cwm 2019 onder andere kan worden aangenomen op basis van andere, niet uit veroordelingen of transacties gebleken, omtrent betrokkene bekende feiten. [2]
5.4.
Met betrekking tot de psychische gesteldheid van de houder van een jachtakte is – voor zover relevant – in paragraaf B 1.2, ad b, van de Cwm 2019 het volgende opgenomen:
In beginsel is het niet verantwoord om aan iemand die – door oorzaken van zowel interne, als externe aard – onder sterke psychische druk staat,wat tot uitdrukking komt in een onvoorspelbaar gedragspatroon of (bijvoorbeeld) alcohol- en drugsmisbruik en waarbij de indruk bestaat dat de vergunninghouder zichzelf niet in de hand heeft[onderstreping rechtbank], het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie toe te vertrouwen. In het bezit van een vuurwapen zou de vergunninghouder een gevaar zijn voor zichzelf en voor de openbare orde en veiligheid.
[…]
Risicofactoren betreffende de psychische gesteldheid van aanvragers of houders van een wapenverlof met het oog op potentieel misbruik van een (legaal) vuurwapen zijn:
[…]
Stressvolle omstandigheden (problemen in relationele sfeer, problemen in de arbeidssfeer of opleiding, gebrekkig sociaal steunsysteem en stressvolle levensomstandigheden);
[…]
5.5.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de twijfel aan het verantwoord zijn van de gemaakte uitzondering onvoldoende heeft onderbouwd en dat deze twijfel bovendien niet objectief toetsbaar is. Op grond van paragraaf B 1.2, ad b, van de Cwm 2019 is het uitgangspunt dat vuurwapenbezit niet verantwoord is als niet alleen sprake is van sterke psychische druk, maar ook van een onvoorspelbaar gedragspatroon, waarbij de indruk bestaat dat de vergunninghouder zichzelf niet in de hand heeft. Uit de psychiatrische rapportage volgt weliswaar dat sprake is van sterke psychische druk, maar niet dat sprake is van een onvoorspelbaar gedragspatroon waarbij de indruk bestaat dat de vergunninghouder zichzelf niet in de hand heeft. Blijkens de psychiatrische rapportage gaat eiser juist met succes om met de sterke psychische druk. De rapportage stelt uitdrukkelijk dat er geen sprake is van een verhoogd risico op het gebied van stress, en concludeert dat er ondanks stresserende omstandigheden geen enkele aanwijzing is voor aanwezigheid van omstandigheden die een risico kunnen vormen voor het voorhanden hebben van een wapen. Dat eiser een onvoorspelbaar gedragspatroon zou vertonen blijkt verder hoegenaamd niet uit de rapportage. De minister heeft niet voldoende dragend gemotiveerd en evenmin objectief toetsbaar onderbouwd waarom hij van mening is dat eiser, ondanks de expliciete conclusies van de psychiater op dit punt, een gevaar zou zijn voor zichzelf en voor de openbare orde en veiligheid. De minister is daarmee zonder voldoende motivering voorbijgegaan aan de psychiatrische rapportage. Het bestreden besluit is in zoverre onvoldoende gemotiveerd. Het betoog slaagt.
Vertrouwensbeginsel
6. Eiser betoogt dat het bestreden besluit in strijd met het vertrouwensbeginsel is genomen, omdat de afdeling Korpscheftaken Midden-Nederland, onder wier verantwoordelijkheid eiser viel voor zijn verhuizing naar [plaats] , zou hebben toegezegd dat bij een positieve psychiatrische rapportage de omgevingsvergunning zou worden verleend
6.1.
De Afdeling heeft in de uitspraak van 29 mei 2019 [3] een stappenplan uiteengezet dat wordt gehanteerd bij een beroep op het vertrouwensbeginsel. De eerste stap is de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging waarop de betrokkene zich beroept, namelijk de vraag of die uitlating en/of gedraging kan worden gekwalificeerd als een toezegging. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen, volgt de derde stap. In het kader van die derde stap zal de vraag moeten worden beantwoord of het gewekte vertrouwen moet worden nagekomen. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan.
6.2.
Om aan te nemen dat een toezegging is gedaan, dient degene die zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk te maken dat sprake is van uitlatingen en/of gedragingen van ambtenaren die bij de betrokkene redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend. De welbewuste standpuntbepaling zal doorgaans in een schriftelijk stuk zijn vastgelegd. Ook zonder schriftelijk stuk kan de uitlating en/of gedraging aannemelijk zijn, waarbij van belang kan zijn dat het bestuursorgaan de gestelde uitlating en/of gedraging niet of onvoldoende betwist.
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen schriftelijk stuk met een concrete toezegging heeft overgelegd en ook verder van zo’n toezegging niet is gebleken, zodat een beroep op het vertrouwensbeginsel reeds daarom niet slaagt. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat de door eiser genoemde uitlating geen welbewuste standpuntbepaling van de korpschef is over de manier waarop hij zijn bevoegdheid al dan niet zou uitoefenen. De korpschef was op het moment van de uitlating ook nog niet bekend met (de inhoud van) een psychiatrische rapportage. Het betoog slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Uit wat onder 5.5 is overwogen, blijkt dat het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd is. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De minister moet een nieuw besluit op het administratief beroep nemen, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank draagt niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
7.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 28 januari 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het administratief beroep van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3986.
2.Zie paragraaf B 1.2, ad b, van de Cwm 2019.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.