Overwegingen
Feiten
1. Eiser dreef in 2020 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak genaamd [handelsnaam]. Eiser omschrijft de activiteiten van deze onderneming als ‘Advisering en begeleiding ruimtelijke procedures’.
2. Eiser heeft in 2020 een laptop, een tablet en accessoires aangeschaft van in totaal € 2.934 exclusief btw.
3. Eiser is in 2020 een operational leasecontract aangegaan ten aanzien van een auto (de leaseauto). De leaseauto betreft een personenauto met een cataloguswaarde van € 31.399. Eiser heeft verder geen auto’s in bezit.
4. Eiser heeft facturen en bankafschriften overgelegd ten aanzien van de leaseauto. Hieruit volgt dat het maandelijkse leasebedrag € 876,02 dan wel € 836,02 exclusief btw bedraagt. Een deel van de facturen ziet op te veel gereden kilometers en verkeersboetes. Eiser heeft bankafschriften overgelegd om benzinekosten te onderbouwen.
5. Eiser was in 2020 ondernemer voor de omzetbelasting en heeft in dat jaar om teruggaaf van voorbelasting op de computerkosten, leasetermijnen en benzinekosten verzocht.
6. Op 31 juli 2022 heeft eiser aangifte IB/PVV (de aangifte) voor het jaar 2020 gedaan, naar een verzamelinkomen van € 78.364. Dit bedrag bestaat voor € 45.010 uit belastbare winst uit onderneming, na aftrek ondernemersfaciliteiten (voor deze aftrek bedraagt de winst uit onderneming € 59.368), waarbij onder andere rekening is gehouden met afschrijvingskosten machines en installaties (laptop, tablet en accessoires) ten bedrage van € 3.551 en auto- en transportkosten ten bedrage van € 20.252.
7. Naar aanleiding van de aangifte heeft verweerder informatie bij de voormalige adviseur van eiser opgevraagd. De adviseur schreef hierop dat eiser geen klant meer van hem was, en dat hij verweerder verzocht de gewenste informatie bij eiser zelf op te vragen. Vervolgens vroeg verweerder informatie op bij eiser, en kondigde hij aan voornemens te zijn af te wijken van de aangifte.
8. Op 6 december 2024 stelde verweerder de definitieve aanslag IB/PVV 2020 (de aanslag) vast in afwijking van eisers aangifte, naar een verzamelinkomen van € 143.475. Dit bedrag bestaat voor € 79.400 uit belastbare winst uit onderneming, na aftrek ondernemersfaciliteiten (voor deze aftrek bedraagt de winst uit onderneming € 99.355). Verweerder heeft de pensioen-, afschrijvings- en autokosten gecorrigeerd. Bij het opleggen van de aanslag is een bedrag van € 1.742 aan belastingrente in rekening gebracht.
9. Verweerder heeft eisers bezwaar tegen de aanslag gedeeltelijk gegrond verklaard en rekening gehouden met € 711 aan afschrijvingskosten machines en installaties voor de laptop, tablet en accessoires. Het verzamelinkomen is op € 142.764 vastgesteld. Voor de ondernemersaftrek bedraagt de winst uit onderneming € 98.644. Voor het overige heeft verweerder het bezwaar afgewezen.
Geschil10. In geschil is of de aanslag naar het juiste bedrag is vastgesteld. Meer specifiek is in geschil:
of verweerder terecht geen rekening heeft gehouden met een hogere afschrijving op machines en installaties (kosten laptop, tablet en accessoires);
of verweerder terecht geen auto- en transportkosten in aftrek heeft toegestaan;
of verweerder terecht een bijtelling voor privégebruik van de auto in aanmerking heeft genomen;
of verweerder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden.
Beoordeling van het geschil
11. Op grond van artikel 3.30, eerste lid, van de Wet IB 2001 wordt de afschrijving op goederen die voor het drijven van de onderneming worden gebruikt jaarlijks gesteld op het gedeelte van de nog niet afgeschreven aanschaffings- of voortbrengingskosten dat aan het kalenderjaar kan worden toegerekend. Het gedeelte van de nog niet afgeschreven aanschaffings- of voortbrengingskosten dat aan het kalenderjaar kan worden toegerekend bedraagt op grond van het tweede lid van voornoemd artikel op jaarbasis met betrekking tot bedrijfsmiddelen (anders dan goodwill) maximaal 20%.
12. Eiser heeft in zijn aangifte een bedrag van € 3.551 ten laste van de winst uit onderneming gebracht als afschrijving machines en installaties van de door hem aangeschafte laptop, tablet en accessoires. Dit bedrag is inclusief btw. Nu eiser voor de omzetbelasting voor het jaar 2020 een teruggaaf van voorbelasting op de computerkosten heeft gevraagd, moet voor het berekenen van de afschrijving op grond van artikel 3.30 Wet IB 2001 rekening worden gehouden met de aanschaffingskosten exclusief btw, zijnde € 2.934. De jaarlijkse afschrijving bedraagt op grond van voornoemd artikel € 587 (20% van € 2.934). Nu verweerder in de uitspraak op bezwaar is uitgegaan van € 711 aan afschrijvingskosten (het jaarlijkse afschrijvingsbedrag mét btw), is de afschrijving waarmee verweerder rekening heeft gehouden eerder te hoog dan te laag.
13. Verweerder heeft zich lopende het beroep op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 6.414 aan auto- en transportkosten ten laste van de winst uit onderneming kan worden gebracht. Verweerder heeft dit bedrag berekend aan de hand van de door eiser verstrekte maandelijkse leasebedragen, benzinekosten en kosten te veel gereden kilometers (exclusief btw), verminderd met een bijtelling voor het privégebruik van de auto. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat een hoger bedrag aan kosten in aanmerking zou moeten worden genomen. Ook heeft eiser niet aangetoond dat hij in 2020 niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden in de leaseauto heeft gereden. Op grond van artikel 3.20, eerste lid, van de Wet IB 2001 ligt de (verzwaarde) bewijslast voor beperkte privékilometers bij eiser. De rechtbank zal zich daarom bij de berekening van verweerder aansluiten.
14. De rechtbank ziet geen aanleiding om mee te gaan in de overige door eiser aangevoerde gronden. Eiser stelt dat de communicatie van verweerder met zijn voormalig adviseur ertoe heeft geleid dat een inhoudelijke toetsing van eisers bezwaren achterwege is gelaten. Deze conclusie is niet uit de stukken op te maken en ook overigens is de rechtbank hiervan niet gebleken. In de aanslagfase heeft verweerder een vragenbrief aan de voormalig adviseur van eiser verzonden waarop slechts is gereageerd met een verwijzing naar eiser, en vervolgens vond alle correspondentie met eiser plaats. Voorts is verweerder naar het oordeel van de rechtbank in de uitspraak op bezwaar voldoende ingegaan op de door eiser aangevoerde gronden. De rechtbank acht geen sprake van een schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Van een belemmering van de vrijheden van het Verdrag betreffende de Europese Unie is evenmin sprake.
15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond verklaard en dient de belastbare winst uit onderneming conform de berekening van verweerder te worden vastgesteld op € 73.272 (€ 98.644 -/- € 6.414, minus de zelfstandigenaftrek van € 7.030 en minus de MKB-winstvrijstelling van € 11.928).
16. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Wel dient de belastingrente te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag.
17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.