Eisers vroegen op 22 december 2023 een omgevingsvergunning aan voor het bouwen van een woonhuis op hun perceel. Het college weigerde deze vergunning op 5 maart 2025, omdat de gemeenteraad geen verklaring van geen bedenkingen (vvgb) had afgegeven, met als reden dat het bouwplan in strijd zou zijn met het bestemmingsplan en de structuurvisie.
Eisers stelden dat het college ten onrechte een vvgb vereiste en dat het positieve principebesluit van 31 oktober 2023 een gerechtvaardigd vertrouwen schepte dat de vergunning zou worden verleend. De rechtbank oordeelde dat het principebesluit geen ondubbelzinnige toezegging inhield en dat het college terecht een vvgb vroeg. Wel werd geoordeeld dat het college artikel 3:11, eerste lid, Wabo onjuist toepaste door niet alle aanvraagstukken aan de raad te verstrekken.
Daarnaast was de motivering van het college onvoldoende, omdat het niet aannemelijk maakte dat het bouwplan strijdig was met de structuurvisie. Het college baseerde de weigering op een beleidswijziging die niet concreet was onderbouwd. De rechtbank concludeerde dat het besluit niet zorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd, vernietigde het besluit en gaf het college zestien weken om een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.