Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15405

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
SGR 23/3131
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 5 Algemene regel 11.3 UitvoeringsregelsArt. 6:19 AwbArt. 7:11 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen maatwerkbesluit en watervergunning voor demping en verharding in Zwammerdam

Eisers hebben beroep ingesteld tegen een maatwerkbesluit en watervergunning voor het dempen van oppervlaktewater, het verbreden van een bestaand oppervlaktewaterlichaam en het aanbrengen van verharding nabij sportvelden in Zwammerdam. Het college had toestemming verleend voor verharding en compensatiewater, inclusief twee duikers, maar eisers betwistten de rechtmatigheid van het besluit.

De rechtbank oordeelt dat het college het primaire besluit niet onrechtmatig heeft gewijzigd en dat de duikers vergunningplichtig zijn, maar dat het college onvoldoende heeft onderzocht of het fysiek onmogelijk is om watercompensatie binnen hetzelfde peilvak te realiseren. Hierdoor is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en beveelt het college een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende onderzoek en motivering over watercompensatie buiten het peilvak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/3131

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] e.a., allen uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland, het college

(gemachtigde: mr. E.W. ten Heuw).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
gemeente Alphen aan den Rijn, vergunninghouder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen een maatwerkbesluit voor het dempen van oppervlaktewater, het verbreden van een bestaand oppervlaktewaterlichaam en het aanbrengen van verharding ter hoogte van de sportvelden ten zuiden van de [straatnaam] te [plaats] . Daarnaast ziet het beroep op een vergunning op grond van de Waterwet (watervergunning) voor twee duikers. Eisers zijn het er niet mee eens dat hun bezwaren tegen het maatwerkbesluit en de watervergunning in het bestreden besluit ongegrond zijn verklaard. Zij voeren daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit op één onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 16 juni 2022 heeft vergunninghouder een watervergunning aangevraagd voor het aanbrengen van twee duikers, het dempen van oppervlaktewater, het verbreden van een bestaand oppervlaktewaterlichaam en het aanbrengen van verharding ter hoogte van de sportvelden ten zuiden van de [straatnaam] te [plaats] .
2.1.
Op 10 oktober 2022 (het primaire besluit) heeft het college een maatwerkbesluit genomen. Hierin is toestemming verleend om 3.611 m2 verharding te realiseren en 382 m2 van het hiervoor vereiste compensatiewater in het aangrenzende peilvak te realiseren. Verder is in dit besluit toegelicht dat een deel van de aangevraagde activiteiten onder algemene regels valt.
2.2.
Met het besluit van 21 december 2022 (het wijzigingsbesluit) heeft het college het primaire besluit aangevuld door een watervergunning te verlenen voor het realiseren van twee duikers.
2.3.
Met het bestreden besluit van 23 maart 2023 op het bezwaar van eisers is het college bij het primaire besluit, zoals gewijzigd met het wijzigingsbesluit, gebleven.
2.4.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] , de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.
2.6.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om het college in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op het door eisers ter zitting overgelegde kaartmateriaal. Het college heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Nadien hebben eisers gereageerd op de reactie van het college.
2.7.
Nadat geen van de partijen desgevraagd heeft verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting gehoord te worden, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. De aanvraag in deze zaak is ingediend op 16 juni 2022. Dat betekent dat in deze zaak het oude recht van toepassing blijft. Dit volgt uit artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Feiten en omstandigheden
4. Vergunninghouder is voornemens om op de sportvelden ten zuiden van de [straatnaam] te [woonplaats] een multifunctionele accommodatie te bouwen. Ten behoeve van dat project wordt een verharding gerealiseerd met een (netto) oppervlak van 3.611 m2. Eisers wonen in de buurt van de projectlocatie. Zij maken zich zorgen over de effecten van het project op hun woon- en leefomgeving en hebben daarom beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Mocht het primaire besluit worden gewijzigd?
5. Eisers betogen dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen, omdat het bestreden besluit voor hen nadeliger is dan het primaire besluit. Volgens eisers zijn met het bestreden besluit duikers van 16,5 meter en 19 meter vergund en is het dempen van oppervlaktewater toegestaan, terwijl hiervoor in het primaire besluit nog geen toestemming was verleend. Zij vinden dat het college het primaire besluit niet voorafgaand aan het besluit op bezwaar had mogen wijzigen.
5.1.
Met het wijzigingsbesluit heeft het college alsnog toestemming verleend voor het realiseren van de twee duikers, nadat het had geconstateerd dat over deze duikers in het primaire besluit abusievelijk geen beslissing was genomen. Het college heeft hiermee een onvolkomenheid in het primaire besluit hersteld. Deze aanvulling van het primaire besluit is niet ingegeven door het bezwaar van eisers, maar volgt uit de verplichting van het college om een volledig besluit te nemen op de aanvraag van vergunninghouder. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers door deze gang van zaken niet in hun belangen geschaad. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het college het wijzigingsbesluit heeft aangemerkt als een besluit zoals bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, zodat het bezwaar van eisers van rechtswege mede gericht was tegen het wijzigingsbesluit. De aanvullende bezwaargronden die eisers tegen het wijzigingsbesluit hebben aangevoerd, zijn door het college beoordeeld in het bestreden besluit. Bij deze heroverweging heeft het college de grondslag van het bezwaar van eisers niet verlaten en is geen besluit genomen dat voor eisers nadeliger is dan het primaire besluit, zoals aangevuld met het wijzigingsbesluit.
Voor zover eisers hebben betoogd dat met het bestreden besluit alsnog is ingestemd met de demping van oppervlaktewater en dat het primaire besluit daarmee voor hen in nadelige zin is gewijzigd, berust dit betoog op een onjuiste lezing van het primaire besluit. Reeds in het primaire besluit is opgenomen dat het dempen van oppervlaktewater vergunningvrij is en valt onder algemene regels. De toestemming voor de aangevraagde demping van oppervlaktewater is dus niet pas verleend met het bestreden besluit.
Het betoog slaagt niet.
Heeft het college de grondslag van de aanvraag verlaten?
6. Eisers betogen dat het college de grondslag van de aanvraag heeft verlaten door met het bestreden besluit een duiker van 19 meter te vergunnen, terwijl een duiker van 16 meter is aangevraagd. Als gevolg hiervan is volgens eisers ook toestemming verleend voor het dempen van 80 m2 oppervlaktewater, terwijl het dempen van 60 m2 oppervlaktewater was aangevraagd.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat de afmeting van de duikers van belang is voor het antwoord op de vraag of sprake is van een vergunningplicht. Op grond van artikel 1, onder b, van algemene regel 4.3 van de Uitvoeringsregels [1] vallen duikers van minder dan 15 meter onder deze algemene regel. Voor duikers die langer dan 15 meter zijn, geldt een vergunningplicht. Niet in geschil is dat de duikers in deze zaak een lengte hebben van meer dan 15 meter. Dat betekent dat de duikers hoe dan ook vergunningplichtig zij. Het college moest daarom beoordelen of deze duikers met toepassing van Beleidsregel 4.4 van de Uitvoeringsregels vergund konden worden.
6.2.
Het college heeft op basis van de aanvraag en het hierbij gevoegde kaartmateriaal aangenomen dat een vergunning is aangevraagd voor een bestaande duiker van 19 meter en een nieuwe duiker van 16,5 meter. Volgens het college konden deze duikers met toepassing van Beleidsregel 4.4 van de Uitvoeringsregels worden vergund. De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen aanleiding om dit standpunt van het college onjuist te achten.
6.3.
De rechtbank volgt eisers ook niet in hun betoog dat het college toestemming heeft verleend voor het dempen van meer oppervlaktewater dan is aangevraagd. Uit de aanvraag volgt dat 60 m2 oppervlaktewater zal worden gedempt en het college heeft in het primaire besluit geconstateerd dat deze demping van oppervlaktewater onder de algemene regels van de Uitvoeringsregels valt. Hiervoor is dus geen watervergunning of maatwerkbesluit nodig. Dat het college heeft ingestemd met het dempen van meer oppervlaktewater dan is aangevraagd, volgt niet uit het bestreden besluit.
Het betoog slaagt niet.
Hoeveel watercompensatie is vergund buiten het peilvak?
7. Eisers betogen dat met het bestreden besluit toestemming is verleend om 605 m2 compensatiewater te realiseren buiten het peilvak waar de verharding wordt gerealiseerd. Het bestreden besluit is volgens eisers daarmee voor hen nadeliger dan het primaire besluit, waarmee slechts 382 m2 compensatiewater buiten het peilvak werd toegestaan.
7.1.
De rechtbank volgt eisers niet in dit betoog. Hierbij wordt vooropgesteld dat in het primaire besluit en in het bestreden besluit niet wordt gesproken over 605 m2 maar over 602 m2 aan compensatiewater. In het primaire besluit is toegelicht dat het realiseren van 602 m2 compensatiewater valt onder de algemene regels. Hier is dus geen vergunning of maatwerkbesluit voor vereist. In het bestreden besluit is nader uiteengezet dat 542 m2 van deze 602 m2 moet worden toegerekend aan de verharding die wordt gerealiseerd. De overige 60 m2 compensatiewater houdt verband met de eveneens aangevraagde demping van 60 m2 oppervlaktewater. Met het in bezwaar gehandhaafde primaire besluit is toegestaan dat – in afwijking van de algemene regels – 382 m2 compensatiewater wordt gerealiseerd in een ander peilvak dan waar de verharding wordt aangebracht. Het bestreden besluit wijkt op dit punt niet af van het primaire besluit, zodat eisers hierdoor niet in een nadeliger positie zijn gebracht. Voor zover eisers hebben betoogd dat het college toestemming heeft verleend voor het realiseren van 605 m2 compensatiewater in een ander peilvak dan waar de verharding is voorzien, berust dit betoog op een onjuiste lezing van het bestreden besluit.
7.2.
Voor zover eisers onder verwijzing naar het ter zitting overgelegde kaartmateriaal hebben betoogd dat al het compensatiewater dat wordt gerealiseerd zich feitelijk in het aangrenzende peilvak bevindt, overweegt de rechtbank het volgende.
7.3.
Na heropening van het onderzoek heeft het college in een nadere reactie verwezen naar het peilbesluit Binnenpolder en twee afbeeldingen waarop de indicatieve grens van de peilvakken en de locaties voor het compensatiewater zichtbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat de begrenzing van de twee peilvakken die in deze zaak van belang zijn, op dit kaartmateriaal overeenkomt met de kaarten die eiser ter zitting heeft getoond.
7.4.
De rechtbank leidt uit deze stukken af dat het peilvak waar de verharding wordt gerealiseerd het peilvak WW27-F met een peil van -1,06m NAP is. Het naastgelegen peilvak is het peilvak WW27-B met een peil van -2,09m NAP. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat naast de 382 m2 compensatiewater buiten het peilvak waar de verharding wordt gerealiseerd, ook het overige compensatiewater in het aangrenzende peilvak WW27-B is voorzien. De rechtbank overweegt hiertoe dat uit het kaartmateriaal van het college volgt dat dit tweede compensatiewater zich op de grens van beide peilvakken bevindt. Het college heeft inzichtelijk gemaakt dat deze locatie grenst aan een watergang die zich binnen de begrenzing van peilvak WW27-F bevindt en heeft toegelicht dat het peil van dit compensatiewater daarom op het peil van -1,06m NAP van dit peilvak zal komen te liggen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld. Het college heeft daarmee terecht aangenomen dat deze compensatielocatie wordt gerealiseerd binnen hetzelfde peilvak als waar de verharding is voorzien. Het betoog slaagt niet.
Mocht het college watercompensatie in een ander peilvak toestaan?
8. Eisers betogen dat het college ten onrechte heeft ingestemd met de realisatie van compensatiewater buiten het peilvak waar de verharding wordt gerealiseerd. Volgens eisers heeft het college onvoldoende onderzoek gedaan naar de waterstaatkundige situatie en is niet aangetoond dat het realiseren van compensatiewater in het peilvak waar de verharding is voorzien, fysiek onmogelijk is. Het bestreden besluit is volgens eisers daarom in strijd is met artikel 5, onder c, van Algemene regel 11.3 van de Uitvoeringsregels, omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden om af te wijken van de hoofdregel dat compensatiewater wordt gerealiseerd in hetzelfde peilvak als waar de verharding is voorzien.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat compensatiewater op grond van artikel 2 van Pro algemene regel 11.3 van de Uitvoeringsregels dient te worden gerealiseerd binnen hetzelfde peilvak waar een verharding wordt aangebracht. Op grond van artikel 5, onder c, van algemene regel 11.3 kan het college bij maatwerkvoorschrift afwijken van dit uitgangspunt en een andere locatie voorschrijven, wanneer voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
het is fysiek niet mogelijk om op de voorgeschreven locatie te compenseren, en:
het is waterstaatkundig toelaatbaar om niet op de voorgeschreven locatie te compenseren.
8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers terecht aangevoerd dat niet duidelijk is geworden of aan de eerste voorwaarde uit artikel 5, onder c, van algemene regel 11.3 van de Uitvoeringsregels wordt voldaan. De rechtbank overweegt hiertoe dat deze bepaling het realiseren van compensatiewater in een ander peilvak slechts toestaat als compensatie op de voorgeschreven locatie fysiek niet mogelijk is. Uit de toelichting op deze bepaling volgt dat de mogelijkheid tot het bieden van maatwerk slechts gebruikt mag worden als er aantoonbaar geen mogelijkheid is om de compensatie lokaal uit te voeren. Het college heeft de rechtbank er niet van overtuigd dat voldoende is onderzocht of die situatie zich voordoet. Het college heeft ter zitting bevestigd dat niet is onderzocht of binnen het peilvak compensatiemogelijkheden bestaan, en dat met name is beoordeeld of waterstaatkundige bezwaren bestaan tegen de realisatie van compensatiewater op de locatie die in de aanvraag is voorgesteld. Daarmee is het afwijken van artikel 2, onder d, van algemene regel 11.3 van de Uitvoeringsregels niet voldoende gemotiveerd. De rechtbank betrekt daarbij dat eisers onweersproken naar voren hebben gebracht dat binnen het peilvak waarin de verharding is voorzien sprake is van voldoende braakliggend terrein waar watercompensatie in hun ogen zou kunnen plaatsvinden. De rechtbank volgt het college niet voor zover het zich op het standpunt heeft gesteld dat het niet aan hem is om eigenstandig binnen het gehele peilvak op zoek te gaan naar locaties die geschikt zijn voor compensatiewater omdat dit mogelijk de bevoegdheden van het college te buiten gaat. Het college wijst er weliswaar terecht op dat ook de aan gronden toegekende bestemming eraan in de weg kan staan dat hier compensatiewater wordt gerealiseerd, maar het is de rechtbank niet gebleken dat het college heeft onderzocht of die situatie zich in dit geval voordoet.
8.3.
Gelet op het voorgaande heeft het college onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval met gebruikmaking van artikel 5, onder c, van de algemene regels kon worden afgeweken van het uitgangspunt dat compensatiewater moet worden gerealiseerd in hetzelfde peilvak waar een verharding wordt aangebracht. Het betoog van eisers slaagt.
8.4.
De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat ook niet is voldaan aan de tweede voorwaarde uit artikel 5, onder c, van algemene regel 11.3 van de Uitvoeringsregels. In wat eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van het college dat er geen waterstaatkundige bezwaren zijn tegen de gekozen locatie voor het compensatiewater in het aangrenzende peilvak. Het college heeft in het bestreden besluit toegelicht dat het peilvak een wateroppervlak heeft van ongeveer 6.700 m2 en dat de toevoer naar het ontvangende peilvak op orde is. Het watersysteem is daarmee volgens het college voldoende robuust. Eisers hebben de juistheid van dit standpunt van het college niet aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens bestreden.
8.5.
De rechtbank volgt eisers evenmin in hun standpunt dat het college aanvullend onderzoek had moeten doen naar de bestaande situatie rond de [straatnaam] en de gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor de waterhuishouding ter plaatse. Het college heeft de toelaatbaarheid van de aangevraagde activiteiten beoordeeld aan de hand van de Uitvoeringsregels, waarin zowel algemene regels als beleidsregels zijn vastgelegd. Het college heeft hiermee de aanvaardbaarheid van het project vanuit waterstaatkundig oogpunt beoordeeld. In wat eisers naar voren hebben gebracht ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder gehouden was in aanvulling hierop het door eisers gewenste nadere onderzoek te verrichten. Voor zover eisers specifiek hebben gewezen op de risico’s van de vergunde duiker voor de waterhuishouding, heeft het college zich onweersproken op het standpunt gesteld dat deze duiker voldoet aan beleidsregel 4.4 van de Uitvoeringsregels en daarom vergund kon worden. Het betoog slaagt niet.
Had het college onderzoek moeten verrichten naar de gevolgen voor het riooloverstort?
9. Eisers betogen dat het college ten onrechte niet heeft onderzocht hoe vaak de riooloverstort de afgelopen jaren moest worden geactiveerd en welke effecten de aangevraagde activiteiten hierop hebben.
9.1.
Het college heeft zich onweersproken op het standpunt gesteld dat de dimensionering van het riool de verantwoordelijkheid van de gemeente is. Daarnaast heeft het college naar het oordeel van de rechtbank voldoende toegelicht dat de nieuwe verharding niet zal afwateren op het vuilwaterstelsel, maar direct op het oppervlaktewater. De rechtbank begrijpt hieruit dat het realiseren van de verharding geen gevolgen heeft voor de wijze waarop de riooloverstort functioneert. Het betoog slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Uit wat is overwogen onder 8.2 volgt dat het bestreden besluit op één onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 3:2 en Pro artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het bestreden besluit om die reden vernietigen. Het college moet een nieuw besluit op bezwaar nemen, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank ziet geen aanleiding om het college met toepassing van artikel 8:51a van de Awb in de gelegenheid te stellen het geconstateerde gebrek te herstellen, nu dit naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
10.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding voor de proceskosten bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 23 maart 2023;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitvoeringsregels op grond van de keur van het hoogheemraadschap van Rijnland voor handelingen in het watersysteem.