Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15400

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
NL23.28052 en NL23.28053
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 VWEUArt. 8 EVRMArt. 3 IVRKArt. 6:19 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning verblijfsrecht aan stiefvader op grond van arrest Chavez-Vilchez

Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit dragende man, verzocht om een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn stiefdochters die de Nederlandse nationaliteit bezitten. De aanvraag werd door verweerder afgewezen op grond van onvoldoende bewijs van een duurzame relatie en afhankelijkheidsverhouding.

Na bezwaar en meerdere aanvullende besluiten, waarbij verweerder aanvankelijk het afgeleide verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez ontkende, erkende verweerder later wel het familieleven maar bleef het belang van de Nederlandse overheid zwaarder wegen. Eiser voerde aan dat hij een hechte en dagelijkse betrokkenheid heeft bij zijn stiefdochters, ondersteund door verklaringen van zijn partner, schooldirecteur en andere bewijsstukken.

De rechtbank oordeelde dat verweerder inconsistent was in zijn standpunten en dat voldoende vaststond dat er een daadwerkelijke afhankelijkheidsrelatie bestond tussen eiser en zijn stiefdochters. Gelet op de jonge leeftijd van de kinderen en de intensieve betrokkenheid van eiser, werd het beroep gegrond verklaard. Verweerder werd opgedragen binnen twee weken een verblijfsdocument af te geven. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen en eiser kreeg een proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep toe en draagt verweerder op het verblijfsdocument aan eiser af te geven binnen twee weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.28052 (beroep) en NL23.28053 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. A.A. Ubbergen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. F. van Zanden).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn (stief)dochters. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser in aanmerking komt voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez [1] en artikel 20 van Pro het VWEU [2] . Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiser is geboren op [geboortedag 1] 1986 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiser heeft een relatie met [de persoon]. Zij is geboren op [geboortedag 2] 1984 en heeft ook de Nigeriaanse nationaliteit. Eiser en zijn partner hebben samen twee dochters: [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. [minderjarige 1] is geboren op [geboortedag 3] 2019 en [minderjarige 2] is geboren op [geboortedag 4] 2022. Eisers partner heeft nog twee dochters uit eerdere relaties: [minderjarige 3] en [minderjarige 4]. [minderjarige 3] is geboren op
[geboortedag 5] 2016 en [minderjarige 4] is geboren op [geboortedag 6] 2017. Dit zijn de stiefdochters van eiser. De stiefdochters hebben de Nederlandse nationaliteit. Eisers partner heeft een verblijfsvergunning in Nederland voor verblijf bij haar Nederlandse kinderen.
2.2.
Eiser heeft op 8 september 2021 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [minderjarige 1]’.
2.3.
Met het primaire besluit van 29 november 2021 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser de relatie met zijn partner niet heeft aangetoond. Verweerder heeft verder gesteld dat geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiser en [minderjarige 1], nu niet is gebleken van een frequente en structurele omgang tussen eiser en zijn dochters. Volgens verweerder weegt verder het belang van de Nederlandse overheid zwaarder dan het belang van eiser, in het kader van zijn recht op privéleven op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [3] .
2.4.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. In bezwaar heeft hij kenbaar gemaakt dat hij ook verblijf beoogt bij [minderjarige 2], zijn twee stiefdochters en bij zijn partner.
2.5.
Met het bestreden besluit van 4 september 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft gesteld dat tussen eiser en zijn partner geen sprake is van een duurzame relatie. Verweerder heeft geen familieleven aangenomen tussen eiser en zijn partner. Verweerder heeft ook geen familieleven aangenomen tussen eiser en zijn (stief)dochters, nu eiser niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken heeft aangetoond dat sprake is van een frequente en structurele omgang met zijn (stief)dochters.
2.6.
Eiser heeft op 4 september 2023 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft ook de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Eiser heeft zijn beroepsgronden aangevuld op 15 augustus 2024, waarbij eiser een verklaring van zijn partner en een verklaring van de directeur van de basisschool van de kinderen heeft overgelegd.
2.7.
Verweerder heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden, omdat verweerder na de aanvullende beroepsgronden van 15 augustus 2024 een nader onderzoek wenste te verrichten. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden.
2.8.
Verweerder heeft vervolgens op 17 september 2025 een aanvullend besluit genomen. Eisers ingestelde beroep ziet op grond van artikel 6:19 van Pro de Awb [4] ook op dit aanvullende besluit. Verweerder heeft zich in dit besluit allereerst op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van het arrest Chavez-Vilchez, omdat hij niet de biologische ouder is van zijn stiefdochters. Verweerder heeft verder aangenomen dat wel sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen eiser en zijn (stief)dochters. De belangenafweging in dat kader valt echter in het nadeel van eiser uit. Ook de belangenafweging in het kader van eisers recht op privéleven op grond van artikel 8 van Pro het EVRM valt in het nadeel van eiser uit.
2.9.
Eiser heeft op 27 oktober 2025 en op 13 februari 2026 beroepsgronden ingediend tegen het aanvullende besluit. Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.10.
De zaak zou worden behandeld op een zitting van 27 maart 2026. Voorafgaand aan deze zitting heeft de rechtbank verweerder op 19 maart 2026 een bericht gestuurd met de vraag hoe het standpunt van verweerder in het aanvullende besluit van 17 september 2025 dat het arrest Chavez-Vilchez niet van toepassing is op eiser zich verhoudt tot het arrest
O. en S. van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 december 2012 en gelet op wat is vastgesteld in IB 2023/31 onder 3.3. Verweerder heeft vervolgens medegedeeld een aanvullend besluit te zullen nemen. De rechtbank heeft de zaak daarom nogmaals aangehouden.
2.11.
Verweerder heeft vervolgens op 10 april 2026 een tweede aanvullend besluit genomen. Verweerder is teruggekomen van zijn eerdere standpunt in het aanvullende besluit van 17 september 2025 dat eiser als stiefvader van twee Nederlandse kinderen niet in aanmerking kan komen voor een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Verweerder heeft erkend dat ook stiefouders rechten kunnen ontlenen aan het arrest
Chavez-Vilchez. Volgens verweerder komt eiser echter nog steeds niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van het arrest Chavez-Vilchez, omdat eiser niet heeft aangetoond dat de afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en zijn stiefdochters van een zodanige aard is dat zijn stiefdochters genoodzaakt zijn het grondgebied van de Unie te verlaten indien aan eiser geen verblijfsrecht wordt verleend. Eisers ingestelde beroep ziet ook op dit aanvullende besluit.
2.12.
Eiser heeft op 17 april 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend tegen het aanvullende besluit van 10 april 2026.
2.13.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op
4 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, eisers partner, de gemachtigde van eiser, D.K. Ehigiene als tolk in de Engelse taal en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez
3.1.
De rechtbank zal eerst ingaan op de vraag of verweerder terecht heeft gesteld dat aan eiser niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van het arrest Chavez-Vilchez.
3.2.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie bestaan er zeer bijzondere situaties waarin aan een onderdaan van een derde land die familielid is van een burger van de Unie een van die Unieburger afgeleid verblijfsrecht moet worden toegekend. [5] Dit is het geval als de Unieburger bij weigering van dit verblijfsrecht feitelijk verplicht is het grondgebied van de Europese Unie te verlaten en hem zo het effectieve genot van de belangrijkste van de aan die status ontleende rechten zou worden ontzegd. Uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat zo’n bijzondere situatie zich voordoet in het geval tussen een familielid uit een derde land en een minderjarig kind dat Unieburger is een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bestaat. Dit afgeleide verblijfsrecht vindt zijn grondslag in artikel 20 van Pro het VWEU en vloeit daarmee rechtstreeks voort uit het Unierecht. Uit rechtspraak volgt dat ook stiefouders rechten kunnen ontlenen aan het arrest Chavez-Vilchez als zij daadwerkelijk een ouderschapsrol vervullen. [6]
3.3.
Verweerder heeft het beleid in paragraaf B10/2.5.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) opgenomen. [7] Daarin staat onder welke voorwaarden de derdelands ouder van een minderjarig Nederlands kind dit afgeleide verblijfsrecht toekomt. Dit is het geval als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a. de vreemdeling moet zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk maken met een geldig paspoort of geldige identiteitskaart, of met andere bewijsmiddelen als hij geen geldig paspoort of geldige identiteitskaart kan overleggen;
b. de vreemdeling moet een minderjarig, Nederlands kind hebben; en
c. er moet een zodanige afhankelijkheid tussen hem en het kind bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de derdelands ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd.
3.4.
Verweerder heeft zich in het aanvullende besluit van 10 april 2026 op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat de afhankelijkheidsverhouding tussen hem en zijn stiefdochters van zodanige aard is dat de stiefdochters genoodzaakt zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten indien aan eiser geen verblijfsrecht wordt toegekend. [8] Volgens verweerder heeft eiser de samenwoning met zijn stiefdochters onvoldoende aangetoond. Uit de BRP [9] blijkt namelijk niet dat ze op hetzelfde adres staan ingeschreven. Verweerder heeft verder gesteld dat eiser wel zorgtaken voor de stiefdochters verricht, maar dat eiser niet heeft aangetoond dat de stiefdochters zo afhankelijk van hem zijn dat ze niet van hem gescheiden kunnen worden. De biologische moeder van de stiefdochters is in Nederland en de band tussen de stiefdochters en de moeder is sterker. Verweerder heeft gesteld dat voor zover er sprake zou zijn van financiële steun, deze financiële steun ook op afstand kan.
3.5.
Eiser voert aan dat verweerders uitleg van het arrest Chavez-Vilchez te strikt is. Volgens eiser heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat de kinderen het grondgebied van de Europese Unie moeten verlaten. Eiser speelt een grote rol in het leven van zijn stiefdochters, dat blijkt uit de verklaringen van zijn partner, van de directeur van de school, het overzicht van de begeleiders bij de contactmomenten met het Ouder- en Kindteam en de foto’s. Eiser voert aan dat verweerder niet kan volstaan met de stelling dat de biologische moeder aanwezig is en dat de zorg verder op afstand kan.
3.6.
De rechtbank kan de motivering van verweerder dat eiser niet heeft aangetoond dat de afhankelijkheidsverhouding tussen hem en zijn stiefdochters van zodanige aard is dat de stiefdochters genoodzaakt zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten indien aan eiser geen verblijfsrecht wordt toegekend, niet volgen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
3.7.
In het aanvullende besluit van 17 september 2025 heeft verweerder aangenomen dat sprake is van familieleven tussen eiser en zijn partner en eiser en zijn (stief)dochters. In het verweerschrift en op de zitting heeft verweerder toegelicht dat deze vaststelling is gebaseerd op de intensiteit en mate van betrokkenheid, gelet op de samenwoning van eiser met zijn gezin en de dagelijkse betrokkenheid bij de kinderen. De rechtbank overweegt dat dit standpunt van verweerder niet te rijmen valt met het standpunt van verweerder in het aanvullende besluit van 10 april 2026, omdat verweerder daar heeft gesteld dat eiser de samenwoning met zijn stiefdochters onvoldoende heeft aangetoond. Nu verweerder in het aanvullende besluit van 17 september 2025 wel is uitgegaan van samenwoning en dagelijkse betrokkenheid, is de rechtbank van oordeel dat ook voor de beoordeling van het
Chavez-verblijfsrecht moet worden uitgegaan van samenwoning en dagelijkse betrokkenheid.
3.8.
De rechtbank overweegt dat in dit verband ook moet worden gekeken naar de jonge leeftijd van de stiefdochters. Uit IB 2023/31 volgt namelijk dat er sneller een emotionele band wordt opgebouwd met jonge kinderen. Een jong kind is in veel gevallen meer afhankelijk van de verzorgende stiefouder, dan een kind dat wat ouder is en al goed voor zichzelf kan zorgen. Ook de duurzaamheid van de affectieve band zegt iets over de sterkte ervan. Een stiefouder die al een geruime tijd samenwoont met het kind zal eerder een afhankelijkheidsrelatie hebben opgebouwd met het Nederlandse kind, dan de stiefouder die net bij het kind is komen wonen. Een kind dat een sterke emotionele band heeft ontwikkeld met zijn stiefouder zal eerder afhankelijk zijn van de stiefouder dan het kind dat geen, of slechts een zeer prille emotionele band heeft opgebouwd. Eiser heeft verklaard dat hij al twee jaar samenwoont met het gezin en dat hij voor de samenwoning ook altijd in beeld is geweest bij het gezin. Verder heeft verweerder aangenomen dat het contact tussen de stiefdochters en hun biologische vaders zeer beperkt is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn dit indicaties dat er een sterke emotionele band is opgebouwd, waardoor er eerder sprake is van afhankelijkheid.
3.9.
Eiser heeft verder in bezwaar en in beroep verklaringen van de directeur van de school van de (stief)dochters van 25 mei 2022 en van 12 december 2023 overgelegd, waarin staat dat eiser betrokken is bij de opvoeding, dat hij de (stief)dochters naar school brengt en ophaalt en dat hij met zijn partner aanwezig is bij de oudergesprekken. Eiser heeft verder bij zijn aanvullende beroepsgronden van 15 augustus 2024 een verklaring van zijn partner overgelegd, waarin staat dat eiser zorgt voor zijn (stief)dochters, dat hij ze naar school brengt en ophaalt, dat hij meegaat naar doktersafspraken en zwemles en dat hij zijn best doet als vader. In bezwaar heeft eiser nog een overzicht overgelegd waaruit volgt dat hij op meerdere momenten aanwezig is geweest als begeleider bij contactmomenten met het Ouder- en Kindteam. Het dossier bevat verder verschillende foto’s waarin eiser te zien is met zijn (stief)dochters en zijn partner, ook in dezelfde kleding als de dochters en zijn partner. De rechtbank heeft, gelet op deze stukken en op wat is toegelicht tijdens de zitting, het beeld gekregen dat sprake is van een hecht gezin, waarbij eiser als (stief)vader nauw betrokken is.
3.10.
De rechtbank is verder met eiser van oordeel dat verweerder niet kan volstaan met de stelling dat de biologische moeder aanwezig is in Nederland en dat de band tussen de stiefdochters en de moeder sterker is. Uit de arresten Chavez-Vilchez en XU en QP [10] volgt namelijk dat deze omstandigheid weliswaar relevant kan zijn, maar dat deze niet kan volstaan voor de conclusie dat geen afhankelijkheidsverhouding bestaat.
3.11.
Gelet op al het voorgaande, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast komen te staan tussen eiser en zijn stiefdochters sprake is van een daadwerkelijke afhankelijkheidsrelatie zoals bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Er is namelijk maar één uitkomst mogelijk en rekening moet worden gehouden met de belangen van de kinderen, zoals is neergelegd in artikel 3 van Pro het IVRK [11] . Dit artikel heeft rechtstreekse werking en hieruit volgt dat bij alle maatregelen die betrekking hebben op een kind, de belangen van een kind voorop moeten staan. De rechtbank acht het in het belang van de (stief)kinderen dat er voortgang wordt gemaakt en dat zij zo snel mogelijk duidelijkheid krijgen in deze procedure, ook omdat de procedure al zo lang voortduurt. De aanvraag is immers ingediend op 6 september 2021.
3.12.
De rechtbank stelt vast dat voor het tijdstip waarop eiser voldeed aan de vereisten voor het afgeleide verblijfsrecht moet worden uitgegaan van de datum van de hoorzitting:
2 juni 2025. Op basis van de feiten en omstandigheden die op de hoorzitting naar voren zijn gekomen, is verweerder namelijk tot de conclusie gekomen dat sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM en dit zijn dezelfde feiten en omstandigheden die leiden tot de conclusie dat er sprake is van voornoemde afhankelijkheidsrelatie.
3.13.
Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat eiser in aanmerking komt voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de overige beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

4.1.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van
4 september 2023 en de aanvullende besluiten van 17 september 2025 en 10 april 2026. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand laten. De rechtbank herroept het primaire besluit en bepaalt dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit [12] . Dat houdt in dat aan eiser een afgeleid verblijfsrecht toekomt op grond van het arrest Chavez-Vilchez en artikel 20 van Pro het VWEU. Verweerder moet aan eiser een verblijfsdocument waaruit dit afgeleide verblijfsrecht volgt afgeven. Verweerder krijgt daarvoor een termijn van twee weken.
4.2.
Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser en dit beroep gegrond verklaart, is er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
4.3.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.736,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van aanvullende beroepsgronden gericht tegen het aanvullende besluit van 17 september 2025, 0,5 punt voor het indienen van aanvullende beroepsgronden gericht tegen het aanvullende besluit van 10 april 2026, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL23.28052:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 4 september 2023 en de aanvullende besluiten van 17 september 2025 en 10 april 2026;
  • herroept het primaire besluit van 29 november 2021;
  • draagt verweerder op om het verblijfsdocument af te geven binnen twee weken;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.736,-.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL23.28053:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017,
2.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Algemene wet bestuursrecht.
5.Zie bijvoorbeeld het arrest Ruiz Zambrano van 8 maart 2011 in de zaak C-34/09, ECLI:EU:C:2011:124 en het arrest Dereci e.a. van 15 november 2011 in de zaak C-256/11, ECLI:EU:C:2011:734.
6.Dat staat in IB 2023/31, p. 5, met verwijzing naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 december 2012, C-365/11, ECLI:EU:C:2012:776 (O, S en L).
7.Dit beleid is aangepast na de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3344).
8.Verweerder heeft in het aanvullende besluit van 10 april 2026 de Chavez-voorwaarden getoetst volgens het aangepaste beleid na de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025.
9.Basisregistratie Personen.
10.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 mei 2022, ECLI:EU:C:2022:354 (XU en QP).
11.Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
12.Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb.