Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15380

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
SGR 26/20
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 Huisvestingsverordening Den Haag 2023Art. 7:3 Huisvestingsverordening Den Haag 2023Art. 2.1.2 Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019Art. 2.1.3 Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019Art. 2.1.4 Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor urgentieverklaring wegens levensontwrichtende woonsituatie

Verzoeker, die lijdt aan traumaklachten, PTSS, een autismespectrumstoornis en OCD, heeft een urgentieverklaring aangevraagd vanwege zijn dakloze situatie die behandeling belemmert. Verweerder wees de aanvraag af op basis van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 en de hardheidsclausule.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker een spoedeisend belang heeft vanwege zijn psychische en sociale situatie en dat de hardheidsclausule kan worden toegepast bij bijzondere omstandigheden. Een medisch onderzoek bevestigde de levensontwrichtende woonsituatie en het ontbreken van een stabiele woonbasis die nodig is voor behandeling.

Verweerder stelde dat verzoeker zelfstandig kan wonen met begeleiding, maar verzoeker toonde aan dat hij ondanks pogingen geen woonruimte kan vinden en dat de wachtlijsten voor begeleid wonen lang zijn. De voorzieningenrechter acht het niet aannemelijk dat verzoeker zijn huisvestingsprobleem binnen afzienbare tijd zelfstandig kan oplossen.

Daarom wordt bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat verzoeker wordt behandeld alsof een urgentieverklaring is verleend, totdat de bodemprocedure is afgerond. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoeker.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en verzoeker wordt behandeld alsof een urgentieverklaring is verleend gedurende de bodemprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/20

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. C.P.R.M. Dekker),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Chkadua).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een urgentieverklaring.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 4 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 november 2025 op het bezwaar van verzoeker is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. [1]
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: verzoeker, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Verder waren de vader van verzoeker ( [naam 1] ) en de begeleider van verzoeker ( [naam 2] ) aanwezig.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting geschorst omdat met partijen is overeengekomen dat verweerder [instelling] zal vragen een medisch onderzoek uit te voeren in het kader van de hardheidsclausule.
1.5.
Partijen hebben de rechtbank geïnformeerd over het door [instelling] uitgebrachte Sociaal Medische Advies van 11 maart 2026
1.6.
Partijen zijn door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om kenbaar te maken of zij op een nadere zitting willen worden gehoord. Verzoeker heeft de rechtbank bericht een nadere zitting te wensen.
1.7.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 april 2026 op een nadere zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: verzoeker, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Ook de vader van verzoeker ( [naam 1] ) en de begeleider van verzoeker ( [naam 2] ) waren verder aanwezig, en namens verweerder [naam 3] en [naam 4] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoeker heeft op 24 mei 2025 op medische gronden een urgentieverklaring aangevraagd. Hij heeft de aanvraag gedaan omdat hij als gevolg van een ernstig bedrijfsongeval toen hij 17 jaar oud was, leidt aan traumaklachten en PTSS. Daarnaast kampt hij met een aandoening op het autismespectrum en OCD. Voorheen woonde hij in bij zijn vader, maar zijn vader moest door medische klachten noodgedwongen verhuizen en verzoeker kon niet meeverhuizen. Verzoeker mocht daarna tijdelijk verblijven in de uitbouw van een woning. Inmiddels is hij 25 jaar oud en heeft hij geen vaste woon- of verblijfplaats meer, waardoor het voor hem niet mogelijk is om de behandeling voor zijn traumaklachten voort te zetten.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat verschillende algemene weigeringsgronden van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (de Huisvestingsverordening) van toepassing zijn. [2] Het beroep op de hardheidsclausule slaagt niet volgens verweerder. Deze uitspraak gaat over de vraag of het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening moet worden toegewezen.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemprocedure niet.
3.1.
Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker in deze zaak voldoende spoedeisend belang heeft nu verzoeker dak- dan wel thuisloos is en vanwege zijn sociale medische en psychische situatie dringend een stabiele woonomgeving nodig heeft.
3.2.
Verweerder kan bepalingen uit de Huisvestingsverordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken op grond van de hardheidsclausule. Een beroep op de hardheidsclausule kan slechts slagen indien aannemelijk is dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die tot toepassing van de hardheidsclausule nopen. De hardheidsclausule wordt slechts toegepast in gevallen waarin het niet toekennen van een urgentieverklaring leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. [3]
4. [instelling] heeft op 11 maart 2026 nader onderzoek gedaan en advies uitgebracht. Daarin is vermeld dat er op medische gronden sprake is van een levensontwrichtende woonsituatie. Verder is bij de toelichting vermeld dat verzoeker nu dakloos is en dat pogingen tot psychologische behandeling zijn onderbroken door een instabiele woonsituatie. Ook is vermeld dat overduidelijke en ook gedocumenteerde psychische beperkingen niet afdoende behandeld kunnen worden door de instabiele woonsituatie.
4.1.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in de rapportage door [instelling] geen aanleiding wordt gezien om alsnog een urgentieverklaring te verlenen in het kader van de hardheidsclausule. Weliswaar volgt uit de rapportage dat sprake is van een levensontwrichtende woonsituatie, maar de arts heeft uiteindelijk geconcludeerd dat verzoeker zelfstandig kan wonen (met begeleiding van zijn vader). Dit kan ook zijn wonen op kamers, inwonen of begeleid wonen. Verweerder gaat ervan uit dat verzoeker zijn woonprobleem daarmee zelf kan oplossen.
4.2.
Verzoeker heeft er naar eigen zeggen alles aan gedaan om zijn huisvestingsprobleem op te lossen door op aangeboden woningen, via Woonnet haaglanden, makelaars, en andere woningaanbodsites te reageren. Zijn financiële mogelijkheden zijn beperkt nu hij een Wajong-uitkering krijgt. De wachtlijst voor begeleid wonen is ruim twee jaar, dit geldt ook voor het huisvesten van de overige zorg-doelgroep. Dit wordt door verweerder niet weersproken. Voor Housing First lijkt verzoeker niet in aanmerking te komen. Eerder is het traject bij Praktijk InTeam gestopt vanwege het niet hebben van een (stabiele) thuisbasis. Hierdoor kan hij nog geen traumaverwerking (EMDR) krijgen.
4.3.
Verzoeker benadrukt dat effectieve traumabehandeling zonder veilige, stabiele en prikkelarme woonbasis medisch gezien niet of niet verantwoord van de grond komt. Zolang hij de EDMR-therapie voor zijn zware PTSS-klachten niet kan voortzetten omdat hij geen eigen woonruimte heeft, leidt dit tot verergering van zijn fysieke en psychische klachten. Hij heeft een rustige en stabiele woonomgeving nodig om aan zijn herstel te kunnen werken. Dit wordt onderstreept door de begeleider van Nescare. Er lag een Wmo-advies van 17 maart 2026, maar na klachten van verzoeker over het onderzoek is dit advies gerectificeerd, en is uiteindelijk besloten om over te gaan tot een hernieuwde beoordeling. Deze hernieuwde beoordeling moet nog plaatsvinden.
4.4.
Dat sprake is van een levensontwrichtende woonsituatie is niet in geschil. Het is de voorzieningenrechter verder niet duidelijk geworden op welke wijze verzoeker zelfstandig en binnen afzienbare tijd zijn huisvestingsprobleem zou kunnen oplossen, zoals door verweerder wordt gesuggereerd.
4.5.
De voorzieningenrechter realiseert zich dat de gevraagde voorziening verstrekkend is en mogelijk leidt tot een onomkeerbare situatie. De voorzieningenrechter ziet echter aanleiding om in dit geval, gezien het spoedeisend belang van verzoeker gelegen in de hiervoor genoemde bijzondere en dringende omstandigheden, het ontbreken van behandelingsperspectief en het evidente belang van verzoeker bij een rustige, stabiele woonsituatie op zo kort mogelijke termijn, bij wijze van ordemaatregel te bepalen dat verzoeker hangende de bodemprocedure wordt behandeld als ware een urgentieverklaring verleend. In de bodemzaak zal verder een inhoudelijk oordeel kunnen worden gegeven over de vraag of verweerder op goede gronden de aanvraag om een urgentieverklaring heeft afgewezen. Daarbij wordt nog opgemerkt dat de getroffen voorziening in ieder geval niet ziet op eengezinswoningen, nu verzoeker alleen voor hemzelf een woning zoekt.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoeker hangende de bodemprocedure wordt behandeld als ware een urgentieverklaring verleend. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, en 0,5 punt voor het deelnemen aan de nadere zitting, anders dan na tussenuitspraak). Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.335,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat verzoeker hangende de bodemprocedure wordt behandeld als ware de urgentieverklaring verleend;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Beroepsprocedure met zaaknummer SGR 26/21.
2.Artikel 4:5, aanhef en onder b, c, d en l, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2023, in samenhang gelezen met artikel 2.1.2, aanhef en onder i en m, artikel 2.1.3, artikel 2.1.4, aanhef en onder e, en artikel 2.12, van de Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019 (de Beleidsregel).
3.Artikel 7:3 van Pro de Huisvestingsverordening en artikel 4.1 van de Beleidsregel.