ECLI:NL:RBDHA:2026:15369

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
NL25.60067 en NL25.60068
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoeken wegens onvoldoende risico op ernstige schade in Colombia

Eisers, een gezin met minderjarige kinderen, vroegen asiel aan in Nederland vanwege bedreigingen en mishandeling door een individu in Colombia, die zij verantwoordelijk achten voor familieconflicten en financiële geschillen. De minister van Asiel en Migratie wees hun aanvragen af, stellende dat zij geen gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade hebben aangetoond.

De rechtbank behandelde de beroepen en oordeelde dat hoewel de problemen met de bedreiger geloofwaardig zijn, deze een individueel conflict betreffen en geen grond vormen voor asiel. De rechtbank stelde dat bescherming door de Colombiaanse autoriteiten in beginsel beschikbaar is, ondanks beperkingen en capaciteitsproblemen, en dat eisers onvoldoende inspanningen hebben verricht om deze bescherming te zoeken.

Verder concludeerde de rechtbank dat er een binnenlands beschermingsalternatief bestaat, aangezien relocatie binnen Colombia de dreiging kan verminderen. Ook de medische situatie van de minderjarige zoon weegt niet zwaarder dan de mogelijkheid tot vestiging elders. De beroepen zijn daarom ongegrond verklaard en de asielaanvragen afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvragen wegens onvoldoende aannemelijk gemaakt risico op ernstige schade.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.60067 en NL25.60068

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [V-nummer 1] , eiser,

[eiseres], v-nummer: [V-nummer 2] , eiseres,

mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen, [minderjarige 1] , v-nummer: [V-nummer 3] ,

[minderjarige 2], v-nummer: [V-nummer 4] ,
(Gemachtigde: mr. A. Kortrijk)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.M. Sanchez Rhemrev).

Procesverloop

Bij twee afzonderlijke besluiten van 1 december 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. [1]
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
De rechtbank heeft de beroepen op 20 mei 2026 op zitting behandeld te Breda. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . De tolk heeft de zitting niet volledig bijgewoond. Na vertrek van de tolk is de behandeling van de zaak met instemming van partijen voortgezet. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eisers zijn geboren op [geboortedag] 1995, respectievelijk 9 juni 1992, 20 april 2011 en 14 april 2019 en hebben allen de Colombiaanse nationaliteit. Eiser heeft op 25 februari 2024, en eiseres op 4 maart 2024 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Aan hun asielaanvraag hebben zij ten grondslag gelegd dat zij problemen hebben met [persoon] , de ex-partner van de overleden zus van eiseres. Na het overlijden van de zus van eiseres in 2014 heeft de moeder van eiseres een procedure gevoerd over het gezag over de kinderen van haar overleden zus. Volgens eisers houdt [persoon] eiseres verantwoordelijk voor het verlies van het ouderlijk gezag over zijn kinderen en meent hij dat eiseres beschikt over geld dat afkomstig is uit het pensioen van haar overleden zus. Eisers hebben verklaard dat zij door [persoon] zijn bedreigd en afgeperst. Eiser is daarnaast mishandeld nadat hij het door [persoon] geëiste geld niet meer kon betalen. Eisers kunnen zich niet onttrekken aan [persoon] en vrezen bij terugkeer naar Colombia voor hun leven.
2. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eisers afgewezen als ongegrond. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. Ook acht verweerder de door eisers gestelde problemen met [persoon] geloofwaardig. Eisers hebben echter niet aannemelijk gemaakt dat zij een gegronde vrees voor vervolging hebben, of dat zij bij terugkeer naar Colombia een reëel risico lopen op ernstige schade. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eisers afkomstig zijn uit [plaats] , in het [departement] , waar sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Daarnaast volgt uit het ambtsbericht [2] dat bescherming in Colombia mogelijk is. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat voor eisers een binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is. Tot slot ziet verweerder in de gestelde medische omstandigheden van hun zoon [minderjarige 2] geen aanleiding voor toepassing van artikel 64 van Pro de Vw.
3. Eisers kunnen zich niet verenigen met de bestreden besluiten en voeren daartegen aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij bij terugkeer naar Colombia geen reëel risico lopen op ernstige schade. Zij wijzen erop dat de problemen met [persoon] al jarenlang voortduren en ondanks de door de moeder van eiseres gedane aangifte niet zijn beëindigd. Onder verwijzing naar het ambtsbericht stellen zij dat bescherming door de Colombiaanse autoriteiten in de praktijk onvoldoende effectief is en dat de Colombiaanse autoriteiten niet in staat zijn alle personen die bescherming nodig hebben daadwerkelijk bescherming te bieden. Dat volgens het ambtsbericht zelfs sociale leiders niet steeds effectief kunnen worden beschermd, is een aanwijzing dat gewone burgers, die niet een vergelijkbare positie innemen, evenmin op effectieve bescherming kunnen rekenen. Verder heeft verweerder ten onrechte een binnenlands beschermingsalternatief tegengeworpen, nu in het verleden verhuizen de problemen niet heeft weggenomen. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende gewicht toegekend aan de omstandigheid dat niet duidelijk is tot welke gewapende groepering [persoon] behoort. Ten slotte heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met de situatie van hun zoon [minderjarige 2] . Ter onderbouwing hebben zij stukken overgelegd waaruit volgt dat [minderjarige 2] kampt met ontwikkelings- en gedragsproblemen en behoefte heeft aan structuur, begeleiding en speciaal onderwijs. Verweerder heeft onvoldoende betrokken wat deze omstandigheden betekenen voor de mogelijkheid om zich elders in Colombia te vestigen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat eisers problemen hebben met [persoon] en voor hem vrezen. Dat verweerder deze problemen geloofwaardig heeft geacht, betekent echter niet dat reeds daarom sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. De problemen van eisers met [persoon] betreffen een individueel conflict. Voor de beantwoording van de vraag of eisers vanwege dit conflict bij terugkeer een reëel risico lopen op ernstige schade, zijn onder meer van belang de mogelijkheden om bescherming te verkrijgen van de Colombiaanse autoriteiten en de vraag of van eisers in redelijkheid kan worden verwacht dat zij zich elders in Colombia vestigen.
5. Verweerder heeft terecht overwogen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat het inroepen van bescherming van de Colombiaanse autoriteiten voor hen bij voorbaat zinloos is. Uit het ambtsbericht volgt weliswaar dat de effectiviteit van bescherming beperkingen kent en dat sprake is van capaciteitsproblemen en straffeloosheid. Uit hetzelfde ambtsbericht volgt echter ook dat de Colombiaanse autoriteiten beschermingsmechanismen hebben ingericht en dat bescherming in beginsel beschikbaar is voor personen die daarom verzoeken. [3] Ook de verwijzing naar de (kwetsbare) positie van sociale leiders leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft terecht overwogen dat sociale leiders een andere positie innemen dan eisers en dat niet is onderbouwd waarom hun situatie vergelijkbaar is. Anders dan eisers stellen, volgt uit het ambtsbericht niet dat bescherming voor hen ontbreekt of bij voorbaat zinloos is.
6. De omstandigheid dat de problemen met [persoon] al langere tijd voortduren en dat de moeder van eiseres aangifte tegen hem heeft gedaan, maakt ook niet aannemelijk dat de Colombiaanse autoriteiten geen bescherming kunnen of willen bieden. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat eisers zelf geen aangifte hebben gedaan en geen bescherming hebben gezocht bij de autoriteiten. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat eisers onvoldoende inspanningen hebben verricht om bescherming te verkrijgen. Verder volgt uit de verklaringen van eiseres dat [persoon] door de autoriteiten wordt gezocht en dat ook op lokale televisie is uitgezonden dat hij wordt gezocht. [4] Hieruit heeft verweerder terecht afgeleid dat de autoriteiten bekend zijn met [persoon] en tegen hem optreden. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in hun geval geen bescherming kunnen verkrijgen van de Colombiaanse autoriteiten.
7. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat [persoon] deel uitmaakt van een landelijk opererende gewapende groepering. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat eisers niet hebben kunnen verklaren tot welke groepering [persoon] behoort en dat zij hun stelling dat hij mogelijk verbonden is aan Clan del Golfo niet hebben onderbouwd. Dat uit het ambtsbericht volgt dat in het gebied waar eisers vandaan komen verschillende gewapende groeperingen actief zijn en dat de scheidslijnen tussen die groeperingen niet altijd duidelijk zijn, maakt niet aannemelijk dat [persoon] tot een van deze groepering behoort.
8. Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat eisers zich uitsluitend binnen hun woonplaats [plaats] hebben verplaatst. [5] Ook heeft verweerder er terecht op gewezen dat de moeder van eiseres zich gedurende langere tijd aan het zicht van [persoon] heeft kunnen onttrekken en dat zij eiseres in die periode in [plaats] heeft bezocht zonder dat [persoon] haar heeft gevonden. [6] Voor zover eisers stellen dat uit het ambtsbericht volgt dat relocatie vaak slechts tijdelijk effect heeft, volgt uit de aangehaalde passage ook dat de dreiging in veel gevallen afneemt wanneer een persoon zich elders vestigt. [7] Daarnaast hebben eisers niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat [persoon] beschikt over een landelijk bereik. Gelet hierop heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat relocatie in geval van eisers tot vermindering van de dreiging kan leiden.
9. Niet is gesteld of gebleken dat eisers zich niet elders in Colombia zouden kunnen handhaven. De omstandigheid dat een verhuizing voor de zoon van eisers belastend kan zijn, is onvoldoende voor het oordeel dat niet redelijkerwijs van eisers kan worden verwacht dat zij zich elders in Colombia vestigen. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eisers geen reëel risico lopen op ernstige schade.
10. Het voorgaande brengt met zich dat verweerder de asielaanvragen van eisers terecht heeft afgewezen als ongegrond. De beroepen zijn ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 4 juni 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger-beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Colombia van juni 2024.
3.Ambtsbericht, pagina 55 e.v.
4.Nader gehoor van eiseres, pagina 7 en 8.
5.Nader gehoor eiser, pagina 11.
6.Nader gehoor van eiseres, pagina 19.
7.Ambtsbericht, pagina 58.