Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15336

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
C/09/664316 / FA RK 24-2536
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopig begeleide omgangsregeling met toewerken naar onbegeleide omgang tussen vader en kinderen

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de vader tot omgang met zijn minderjarige kinderen. Na eerdere aanhouding en een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming concludeert de rechtbank dat er geen zwaarwegende redenen zijn om omgang te weigeren. De moeder staat niet open voor omgang en ouderschapsbemiddeling, terwijl de vader zich als zorgzame ouder presenteert.

De rechtbank wijst op het belang van omgang voor de kinderen en stelt een opbouwende omgangsregeling vast. Eerst vindt begeleide omgang plaats via een hulpverleningsinstantie, met een traject van ongeveer vier maanden, waarna een onbegeleide omgangsregeling van kracht wordt. De omgangsdag is vastgesteld op eens per twee weken van 10:00 tot 17:00 uur, te starten op 15 november 2026.

De rechtbank legt de ouders de verantwoordelijkheid op het traject serieus te volgen en verlangt schriftelijke verslagen van de omgangsbegeleiding. De Raad voor de Kinderbescherming wordt betrokken bij het monitoren en eventueel aanvullend onderzoek indien het traject niet positief verloopt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en verdere beslissingen worden aangehouden tot 15 september 2026.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopig begeleid omgangstraject vast met als doel onbegeleide omgang vanaf 15 november 2026.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-2536
Zaaknummer: C/09/664316
Datum beschikking: 8 mei 2026

Omgang

Beschikking op het op 4 april 2024 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.A. Hoste te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.M.C. Wittens te Den Haag.

Procedure

Bij beschikking van 27 mei 2025 van deze rechtbank is een beslissing ter zake van de omgangsregeling aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten, alsmede de rechtbank te rapporteren en te adviseren.
De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook:
  • het rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming in ’s-Gravenhage (hierna te noemen: de Raad) van 29 januari 2026, kenmerk SK-1-6884XL5;
  • de brief namens de moeder.
Op 10 april 2026 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat en [naam] namens de Raad.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist.
Advies van de Raad voor de Kinderbescherming
Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) van 29 januari 2026 is – verkort weergegeven – het volgende gebleken:
De doorverwijzing naar hulpverlening bij beschikking van deze rechtbank van 27 mei 2025 is niet van de grond gekomen door het ontbreken van het akkoord van de moeder. De moeder is het ook niet eens met het onderzoeksplan van de Raad, ze wil niet dat de Raad contact met de school van de kinderen opneemt. Ze wil ook niet dat de Raad contact heeft met de kinderen.
Standpunt moeder
De moeder vertelt aan de Raad dat de vader niet consistent in het leven van de kinderen was. Door ruzies in het bijzijn van de kinderen en bedreigingen die de vader richting het gezin heeft gedaan heeft de moeder besloten dat de vader de kinderen niet meer mocht zien. De moeder staat niet open voor (begeleide) omgang tussen de vader en de kinderen. Ze voelde zich voor het blok gezet door de rechter en wil geen ouderschapsbemiddeling traject.
Standpunt vader
De vader vertelt de Raad dat hij een zorgzame vader is. De kinderen gingen graag met hem mee. Ze deden leuke dingen. Hij bracht hen naar sport en ze gingen elke zondag zwemmen. Het ophalen ging wisselend, soms was er discussie tussen de ouders.
Conclusie raad
Ouders hebben een andere beleving van het verleden en een andere visie op wat ze willen in de toekomst. De Raad ziet geen zwaarwegende redenen waarom de vader en de kinderen geen omgang zouden mogen hebben. De Raad hoopt dat de ouders alsnog open staan om via een ouderschapsbemiddeling traject te werken aan hun gezamenlijk ouderschap. Het contact met de vader moet volgens de raad in eerste instantie begeleid, zodat de kinderen kunnen wennen aan contact met de vader. Ook kan de moeder hier leren de kinderen emotionele toestemming voor contact met de vader te geven. Zij stellen [instantie] voor. Ook de meerderjarige zussen moeten zich neutraal opstellen tegenover het contact.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank constateert dat na de vorige zitting er weinig gebeurd is – afgezien van het rapport – en ziet, net als de Raad, geen zwaarwegende redenen waarom de vader en de kinderen geen omgang zouden hebben en acht het in het belang van de kinderen dat zij omgang hebben met de vader. Zij zal hierom een opbouwende omgangsregeling vaststellen, met in eerste instantie een verwijzing naar een traject omgangsbegeleiding waarvan op zitting ook is gebleken dat de ouders daarvoor open staan, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal deze beschikking per post zenden aan het Kenniscentrum Kind en Scheiding.
Na de aanmelding zal het, gezien de huidige wachttijden, twee maanden duren voor de begeleide omgang van start kan gaan. Bij bijvoorbeeld [instantie] kan gedurende vier maanden toegewerkt worden naar de definitieve onbegeleide omgangsregeling waarbij de kinderen eens in de twee weken een dag van 10:00 tot 17:00 uur omgang hebben met de vader. De rechtbank verlangt dat vanaf 15 november 2026 deze omgangsregeling geldt. Het is aan de ouders om het traject met beide handen aan te pakken. De rechtbank zal, ongeacht het wel of niet slagen van het traject vanaf 15 november 2026 een onbegeleide regeling vaststellen.
Van de advocaten van de ouders wordt, onder toezending van de eventuele verslagen van de omgang begeleidende instantie, uiterlijk veertien dagen voor de hierna te noemen pro forma datum, een schriftelijk verslag verwacht van het verloop van de omgangsmomenten, de actuele stand van zaken en de gewenste voortgang. De rechtbank zal vervolgens een beslissing nemen over een eventuele volgende zitting.
Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat – zoals op de zitting met de ouders is besproken – zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is. Als het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat dient de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad. Aan de hand van de eindrapportage zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is.
De rechtbank benadrukt hierbij dat als er een onderzoek volgt, de omgang tussen de kinderen en de vader vanaf 15 november 2026 onverminderd dient te starten.
De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
De rechtbank merkt op dat zij, ook met de vastgestelde omgangsregeling, twijfels heeft over de emotionele beschikbaarheid van de moeder om het contact tussen de kinderen en de vader te ondersteunen. Mocht de ruimte hiervoor bij de moeder onvoldoende zijn, dan verzoekt de rechtbank de Raad te onderzoeken hoe het contactherstel alsnog kan worden gefaciliteerd. De Raad kan zelfstandig onderzoeksvragen opstellen die aansluiten bij de situatie. Dit kan een aanleiding vormen te overwegen of een meer verstrekkende beschermingsmaatregel noodzakelijk is.
In afwachting van het verloop van de omgangsbegeleiding zal de rechtbank iedere beslissing ten aanzien van de omgangsregeling voor vier maanden aanhouden.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de omgang tussen de vader en de minderjarigen:
  • [minderjarige 1], geboren [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats];
  • [minderjarige 2], geboren [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats];
voorlopig begeleid en onder regie zal plaatsvinden van de omgangsbegeleidende instantie, met als uitgangspunt dat toegewerkt wordt naar een onbegeleide omgangsregeling waarbij de kinderen en de vader eens per twee weken een dag van 10:00 uur tot 17:00 omgang hebben;
bepaalt dat de kinderen vanaf 15 november 2026 een dag in de twee weken van 10:00 uur tot 17:00 uur bij de vader zijn;
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de vader],
de vader,
wonende in [plaats 1],
en
[de moeder],
de moeder,
wonende in [plaats 2],
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het hulpverleningstrajecten Omgangsbegeleiding, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar:
Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank vóór na te melden pro forma datum rapporteert omtrent het verloop van de omgangsbegeleiding met kopie aan beide ouders en daarvan, indien het traject niet positief is verlopen, gelijktijdig een afschrift aan de Raad voor de Kinderbescherming stuurt;
bepaalt dat de griffier binnen één week na ontvangst van de rapportage van een niet positief verlopen traject een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
*
uiterlijk veertien dagen voor de hierna te noemen pro formadatum dienen partijen, onder toezending van de eventuele verslagen van de omgang begeleidende instantie, zich schriftelijk uit te laten over het verloop van de omgangsmomenten, de actuele stand van zaken en de gewenste voortgang van deze procedure;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van omgangsregeling aan tot 15 september 2026 pro forma, in afwachting van de resultaten van het traject omgangsbegeleiding.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, kinderrechter, bijgestaan door mr. C.A.E. de Koning als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 8 mei 2026.
[bijlage verwijderd i.v.m. privacygevoelige informatie]