ECLI:NL:RBDHA:2026:15335

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
C/09/703496 / JE RK 26-646
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in belang van ontwikkeling

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van een jaar en om een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleegzorgvoorziening voor zes maanden. De minderjarige verblijft sinds medio november 2024 bij zijn oom en tante vanwege spanningen en een langdurig conflict tussen zijn ouders en deze familieleden. De Raad maakte zich zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige, zijn schoolprestaties en middelengebruik.

De ouders voerden verweer en stelden voor de minderjarige in een neutrale setting te plaatsen om hem uit het conflict te halen. De oom en tante stemden in met het verzoek en benadrukten het belang van contact met de ouders. De gecertificeerde instelling onderschreef het verzoek en benadrukte dat inzet van een jeugdbeschermer en hulpverlening noodzakelijk is.

De kinderrechter oordeelde dat aan de voorwaarden voor ondertoezichtstelling was voldaan en dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk was in het belang van de verzorging en opvoeding. De minderjarige wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd door het loyaliteitsconflict en het gebrek aan contact met zijn ouders. De kinderrechter stelde de ondertoezichtstelling voor een jaar vast en verleende de machtiging tot uithuisplaatsing bij de oom en tante tot 8 november 2026, met de verplichting tot onderzoek naar contactherstel en de beste verblijfsplek op langere termijn.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026 door kinderrechter M.M. Meijers. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en verleent machtiging tot uithuisplaatsing bij familie in het belang van de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/703496 / JE RK 26-646
Datum uitspraak: 8 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,
beiden wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. K. Moene uit Den Haag,
[de tante],
hierna te noemen: de tante,
en
[de oom],
hierna te noemen: de oom.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] , namens de Raad;
  • [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling;
  • de vader met zijn advocaat
  • de moeder via videoverbinding;
- de oom en tante;
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gehuwd.
2.2.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] verblijft bij de oom en tante moederszijde.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De Raad maakt zich zorgen om de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] voelt zich niet gehoord en gezien door de ouders en verblijft sinds medio november 2024 bij de oom en tante. Al jaren zijn er spanningen tussen de ouders en de oom en tante en hebben zij onderling al geruime tijd geen contact met elkaar. [minderjarige] heeft nauwelijks contact met de ouders, terwijl hij dit nodig heeft voor zijn identiteitsontwikkeling. Het lukt de volwassenen in het leven van [minderjarige] niet om hun conflict in zijn belang opzij te zetten. Er wordt over en weer negatief over elkaar gesproken en [minderjarige] verkeert hierdoor duidelijk in een loyaliteitsconflict. Daarnaast zijn er zorgen rondom de schoolprestaties van [minderjarige] en zijn middelengebruik (blowen). In het vrijwillig kader is het niet gelukt om tot een vorm van samenwerking te komen tussen de ouders en oom en tante, terwijl dit wel noodzakelijk is in het belang van [minderjarige] . Het gedwongen kader is dan ook noodzakelijk om tot verandering te komen. De Raad vindt een uithuisplaatsing bij de oom en tante op de korte termijn noodzakelijk en het meest passend, omdat terugkeer naar huis momenteel niet haalbaar is en [minderjarige] aangeeft erg gelukkig te zijn bij oom en tante thuis. De Raad vindt het noodzakelijk dat er een jeugdbeschermer betrokken wordt, die de regie kan voeren en kan onderzoeken wat de mogelijkheden zijn voor contactherstel met de ouders en kan onderzoeken waar [minderjarige] op de langere termijn het beste kan wonen. In de komende maanden kan hulpverlening worden ingezet, gericht op het terugwerken naar huis. De Raad vindt het daarnaast van belang dat er door de inzet van pleegzorg meer zicht komt op de thuissituatie van de oom en tante.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de ouders is verweer gevoerd tegen het verzochte. Het ging goed met [minderjarige] voordat hij contact kreeg met zijn neef en de oom en tante. De manier waarop [minderjarige] is beïnvloed herkent de moeder uit haar familiesysteem. De enige oplossing om uit de huidige situatie en de al anderhalf jaar durende impasse te komen is volgens de ouders om [minderjarige] te plaatsen in een neutrale setting. Op die manier wordt hij uit beide systemen gehaald en krijgt hij de mogelijkheid om onafhankelijk en objectief naar de situatie te kijken. Ook de gezinscoach en systeemtherapeut hebben aangegeven dat een verandering in het gezinssysteem niet snel te verwachten is. De advocaat brengt daarnaast naar voren dat het de vraag is wat een jeugdbeschermer en diens regie kan veranderen, ook gelet op de leeftijd van [minderjarige] . De ouders vinden het wel belangrijk dat er hulpverlening voor [minderjarige] wordt ingezet. De moeder heeft aangegeven dat systeemtherapie, waarbij zij ook contact zal moeten hebben met oom en tante, voor haar geen optie is, maar dat zij en de vader wel open staan voor andere hulpverlening. De moeder hoopt dat [minderjarige] niet denkt dat zijn ouders niet om hem geven en ze benadrukt hoeveel ze dat doen en hoeveel ze van hem houden.
4.2.
Door de oom en tante is ingestemd met het verzochte. De tante geeft aan dat zij en de oom het liefst zouden zien dat [minderjarige] contact heeft met de ouders en naar huis kan. Zij hebben geprobeerd hem hierin te stimuleren. De oom en tante vinden een neutrale plaatsing van [minderjarige] niet passend. In het verleden heeft [minderjarige] hulpverlening vanuit Rondom Jou ontvangen. Als hij tijdens gesprekken de diepte in moest over bepaalde situaties of onderwerpen kreeg [minderjarige] daar last van. Ze vinden het belangrijk dat [minderjarige] bij hen kan wonen en zich kan richten op zijn school.
4.3.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad. Ter zitting is door de gecertificeerde instelling aangegeven dat puur het inzetten van een jeugdbeschermer niet de oplossing zal zijn. De ouders en de oom en tante zullen zich zelf ook moeten inspannen om de situatie voor [minderjarige] te verbeteren. Er zijn verschillende vormen van hulpverlening en de jeugdbeschermer kan, samen met alle betrokkenen, een passende vorm moeten vinden. Er zal ook een pleegzorgscreening worden uitgevoerd en er zal bekeken worden welke plek het meest passend is voor [minderjarige] op de langere termijn.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
5.2.
[minderjarige] wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Hij zit klem in het conflict wat al langere tijd speelt tussen zijn ouders en zijn oom en tante en waar geen beweging in lijkt te zitten om hier uit te komen. . [minderjarige] erblijft al anderhalf jaar bij de oom en tante en heeft nauwelijks contact met zijn ouders. Om [minderjarige] uit dit loyaliteitsconflict te halen en om de ernstige ontwikkelingsbedreiging weg te nemen is een vorm van samenwerking tussen de ouders en de oom en tante noodzakelijk. In het vrijwillig kader is geprobeerd hiervoor hulpverlening in te zetten, maar dit heeft niet tot positief resultaat geleid. Het is daarom van belang dat in het gedwongen kader wordt onderzocht welke vorm van hulpverlening wél haalbaar is. [minderjarige] heeft rust nodig om toe te komen aan zijn ontwikkeltaken nu er ook zorgen worden gezien voor wat betreft zijn schoolresultaten en zijn middelengebruik Daarnaast is, zoals ook door de Raad is aangegeven, contact tussen [minderjarige] en de ouders van belang voor zijn identiteitsontwikkeling. Ter zitting is door de oom en tante aangegeven dat zij [minderjarige] stimuleren om contact te hebben met de ouders. De kinderrechter vindt dit positief, ziet graag dat zij dit blijven doen en dat zij het gesprek met [minderjarige] hierover blijven voeren. Ook [minderjarige] heeft tijdens het kindgesprek aangegeven dat hij in de toekomst wel contactherstel wil. Het is van belang dat er een jeugdbeschermer vanuit het gedwongen kader kan beoordelen wat noodzakelijk is om tot verandering te komen en wat er nodig is om weer tot contactherstel tussen de ouders en [minderjarige] te komen. Hierbij is het van belang dat rekening wordt gehouden met wens van [minderjarige] .
5.3.
Gelet op het voornoemde stelt de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.4.
De kinderrechter acht thuisplaatsing op dit moment niet in het belang van [minderjarige] . De relatie tussen [minderjarige] en de ouders is ernstig verstoord en op dit moment is er nauwelijks contact tussen hen. Voordat gesproken kan worden over thuisplaatsing, zal er eerst moeten worden gewerkt aan contactherstel tussen de ouders en [minderjarige] . Voor nu wordt plaatsing bij de oom en tante het meest passend geacht, aangezien [minderjarige] aangeeft zich daar gelukkig te voelen en zich momenteel hard inzet om zijn schooljaar positief af te ronden. Een wijziging van zijn verblijfplaats naar een neutrale plek kan daar een negatieve invloed op hebben. De kinderrechter zal daarom het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg toewijzen tot 8 november 2026. Daarbij zal de jeugdbeschermer moeten onderzoeken waar [minderjarige] op de langere termijn het beste kan verblijven.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 8 mei 2026 tot 8 mei 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 8 mei 2026 tot 8 november 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026 door mr. M.M. Meijers, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 18 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.