De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader over het gezag, de hoofdverblijfplaats van de oudste dochter en de omgangsregeling tussen de zussen. Na een rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming en een zitting op 10 april 2026, handhaafde de rechtbank eerdere overwegingen en nam nieuwe beslissingen.
De oudste dochter verblijft sinds juli 2025 feitelijk bij de vader en is sinds oktober 2025 bij hem ingeschreven. De rechtbank stelde de hoofdverblijfplaats van de oudste dochter per datum beschikking vast bij de vader. Tevens werd bepaald dat de ouders voortaan gezamenlijk het gezag over haar uitoefenen, omdat de vader praktische beslissingen neemt en het contact met de moeder beperkt is.
De omgangsregeling tussen de zussen werd voorlopig vastgesteld op wekelijks fysiek en telefonisch contact, met een toekomstig streven naar een weekendregeling. De rechtbank verwees de ouders naar het hulpverleningstraject Parallel Solo Ouderschap om het ouderschap te verbeteren en het contact tussen de kinderen te herstellen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte werd afgewezen.