ECLI:NL:RBDHA:2026:15278

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
C/09/702842 / FA RK 26-3411
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • M.L. Crommelin-Sandberg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:7 WvggzArt. 10:9 WvggzArt. 8:9 WvggzArt. 2:1 lid 2 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Klacht ongegrond verklaard over verplichte medicatie bij schizoaffectieve stoornis

Verzoekster, met een schizoaffectieve stoornis, diende een klacht in tegen de verplichte toediening van depotmedicatie vanwege ernstige bijwerkingen die haar functioneren belemmeren. Zij verzocht tevens om schorsing van de uitvoeringsbeslissing en een schadevergoeding.

De rechtbank nam kennis van de medische stukken, waaronder een second opinion die de diagnose bevestigde, en hoorde partijen tijdens de zitting. Verzoekster erkende de stoornis niet te ontkennen, maar verzette zich tegen de medicatie vanwege de bijwerkingen en wilde deze afbouwen of stoppen.

De zorgaanbieder stelde dat de medicatie noodzakelijk is om ernstige decompensaties te voorkomen, die in het verleden tot gedwongen opnamen en sociaal-maatschappelijke ontwrichting leidden. Er is geen veiliger of minder bezwarend alternatief beschikbaar, mede vanwege medicatietrouwproblemen.

De rechtbank oordeelde dat de verplichte zorg proportioneel, subsidiariteit en doelmatig is, gezien het stabiele toestandsbeeld sinds de medicatie. De klacht werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Het verzoek tot schorsing werd ingetrokken.

Uitkomst: De klacht tegen verplichte depotmedicatie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnummer: C/09/702842 / FA RK 26-3411
Datum beschikking: 7 mei 2026
Beslissing over klacht ex artikel 10:7 Wet Pro verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)

Beschikking op het op 8 april 2026 ingediende verzoekschrift van:

[verzoekster] ,

hierna te noemen: verzoekster,
geboren op [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
verblijvende te [accommodatie] te [plaats] ,
advocaat: mr. P. Arkema-Hummel te Zoetermeer,
ter verkrijging van een beslissing over een klacht door verzoekster ingediend bij de klachtencommissie GGZ Zuid-Holland-Noord (hierna: de klachtencommissie).
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
- de zorgaanbieder GGZ Rivierduinen.

Feiten en procesverloop

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift namens verzoekster gedateerd 7 april 2026 ingediend door haar advocaat, met bijlagen;
- het verweerschrift van de zorgverantwoordelijke ten behoeve van de klachtenprocedure van 24 maart 2026;
- de beslissing ex artikel 8:9 Wvggz Pro tot het verlenen van verplichte zorg van 24 maart 2026;
- de beslissing van de klachtencommissie van 31 maart 2026.
Aan verzoekster wordt door zorgaanbieder verplichte zorg verleend krachtens een door deze rechtbank verleende zorgmachtiging van 6 januari 2026 geldend tot en met 2 november 2026.
Verzoekster heeft bij brief van 10 maart 2026 in samenwerking met mevrouw Annita Deen, patiëntenvertrouwenspersoon, bij de klachtencommissie een klacht ingediend gericht tegen de uitvoeringsbeslissing van de heer [naam 1] , psychiater en zorgverantwoordelijke ex artikel 8:9 Wvggz Pro tot het verlenen van verplichte zorg op basis van voornoemde beschikking, bestaande uit de toediening van (depot)medicatie.
De klachtencommissie heeft op 31 maart 2026 de klacht ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft bij voornoemd verzoekschrift de rechtbank verzocht een beslissing te geven over haar klacht alsmede de beslissing waartegen de klacht is gericht op grond van artikel 10:9, eerste lid, Wvggz, te schorsen.
Op 7 mei 2026 is het verzoekschrift ter zitting van deze rechtbank behandeld. Daarbij zijn gehoord:
- verzoekster, bijgestaan door haar advocaat;
- de psychiater, [naam 2] ;
- de casemanager, [naam 3] .
Om redenen van verplichtingen jegens haar nog minderjarige zoontje kon de dochter van verzoekster tot haar spijt niet aanwezig zijn bij de mondelinge behandeling, terwijl ook de curator kenbaar heeft gemaakt verhinderd te zijn de zitting bij te wonen.
Tijdens de mondelinge behandeling is het verzoek tot schorsing door verzoekster ingetrokken.

Verzoek en verweer

Verzoekster stelt dat haar klacht tegen het toedienen van (depot)medicatie gegrond had moeten worden verklaard. Zij ervaart al sinds de toediening zeer ernstige bijwerkingen die haar dagelijkse functioneren ernstig belasten en haar doen lijden. Sinds kort bleek thuis wonen vanwege de snelle fysieke achteruitgang en daarmee gepaard gaande steeds zwaarder wordende fysieke verzorging niet langer verantwoord en moest zij naar een verpleeghuis verhuizen.
Verzoekster noemt aan bijwerkingen hevige kaakklachten en heel veel kwijlen, waardoor zij maar heel moeizaam kan eten. Verder heeft zij neuropathie met tintelingen in haar benen, voeten en knieën, en dat maakt haar voortdurend angstig om te vallen. Haar steeds stijver wordende spieren maken het alleen maar erger en inmiddels is zij op een rolstoel aangewezen. Gelet op deze bijwerkingen is de medicamenteuze behandeling volgens verzoekster niet evenredig in verhouding tot het beoogde therapeutische doel. Verzoekster stelt dat de (depot)medicatie als vorm van verplichte zorg niet voldoet aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. Volgens haar is onvoldoende onderzocht of er een mogelijkheid is haar te behandelen met alternatieve medicatie die ook effectief is maar geen, althans minder bijwerkingen veroorzaakt. Het liefst zou verzoekster overgaan tot het helemaal afbouwen van de medicatie. Zij is al jaren stabiel en er was geen decompensatie. Zij is zelf ouder geworden en rustiger, terwijl naast de thuiszorg ook haar dochter dagelijks bij haar komt om haar waar nodig te helpen.
Verzoekster verzoekt niet alleen om haar klacht alsnog gegrond te verklaren maar haar ook een schadevergoeding te geven wegens de jarenlange verplichte medicatie die zij volgens haar ten onrechte kreeg en waarvan zij zoveel nadelige fysieke en mentale gevolgen heeft gekregen. Het verzoek om de uitvoeringsbeslissing te schorsen wordt gelet op hetgeen ter zitting is besproken ingetrokken.
Namens de zorgaanbieder wordt verwezen naar de inhoud van het verweerschrift van 24 maart 2026. Deze inhoud wordt gehandhaafd. Daarop is aansluitend aangevoerd dat verzoekster bekend is met een schizoaffectieve stoornis, waarbij bij decompensaties in het verleden ernstig nadeel is ontstaan, zoals schuldenproblematiek als gevolg van gokken – ondanks de aanwezigheid van de curator, omdat zij die weet te omzeilen -, het verliezen van haar woning omdat zij daarvan een chaos maakt en verminderd contact met kinderen en kleinkinderen. Verzoekster is in de afgelopen twee jaar ambulant behandeld door het Dichtbij-team (voorheen: het Wijkteam) en ontvangt elke vier weken een antipsychoticum, te weten zuclopentixol. Deze medicatie wordt in depotvorm gegeven. In het verleden zijn verschillende antipsychotica en stemmingsstabilisatoren voorgeschreven, waarbij verzoekster eveneens bijwerkingen ervoer, doorgaans vergelijkbaar met de huidige. De dosering van de medicatie die verzoekster in depotvorm krijgt is in augustus 2025, op aandringen van verzoekster, verlaagd van 400 mg naar 300 mg vanwege de bijwerkingen. Ter zitting wordt genoemd dat besloten wordt de dosering van de volgende depotgift, die staat gepland voor 28 mei 2026, opnieuw te verlagen naar 250 mg, vanwege de verzwakte lichamelijke toestand van verzoekster, waarvan zowel de psychiater als de casemanager zijn geschrokken. Hoewel de bijwerkingen worden gemonitord en waar mogelijk beperkt, is een onderhoudsdosering van het antipsychoticum medisch noodzakelijk ter voorkoming van een decompensatie. Volledige afbouw is volgens de zorgaanbieder niet verantwoord bij de stoornis die verzoekster heeft, aangezien het risico op ernstig nadeel heel reëel is, gelet op de eerdere echt forse ontregelingen. Zo bleek in 2020 dat een eerdere afbouwpoging leidde tot ontregeling, waarna gedurende twee jaar opname in een accommodatie noodzakelijk was. Bijwerkingen worden voortdurend onderzocht en, indien nodig, medicamenteus behandeld.
Het is belangrijk dat verzoekster alle bijwerkingen die zij ervaart meldt, zodat daarop kan worden gereageerd door of namens de zorgaanbieder. Er zal een afspraak worden gemaakt met de KNO-arts om naar de (mogelijke oorzaak van de) kaakklachten te kijken. Zo nodig kan verzoekster ook naar de pijnpoli worden verwezen.
Daarnaast blijft het volgens de zorgaanbieder belangrijk, dat verzoekster niet langer de strijd aanbindt met haar behandelaars, erkent dat zij een stoornis heeft, die recent in een second-opinion-oordeel is bevestigd, en dat zij daarvoor een behandeling met antipsychotica nodig heeft. Het effect van een behandeling die is gebaseerd op samenwerking is altijd groter dan wanneer weerstand daaraan ten grondslag ligt.
Daaraan wordt toegevoegd, dat zoveel mogelijk actief bezig blijven en afleiding zoeken ook bijdraagt aan meer welbevinden.
Desgevraagd beantwoordt de psychiater de vragen van de rechter over de second opinion en (opties van) medicatie. De second opinion is in het UMC verricht op verzoek van verzoekster vanwege de ernstige lichamelijke klachten die zij ervoer door haar medicatiegebruik. In de bevindingen van de second opinion-arts valt te lezen dat clozapine de beste antipsychotische werking biedt met relatief de minste bijwerkingen. Van deze optie is echter in de situatie van verzoekster afgezien, omdat zij bekend staat als medicatie-ontrouw. Ook vereist het gebruik van clozapine strakke monitoring met wekelijkse bloedcontroles. Zodra er een infecties optreedt, moet de dosering worden verlaagd en weer worden opgehoogd als deze infectie voorbij is. Dat vergt veel inspanning en lukt alleen bij een voor deze behandeling heel gemotiveerde en medicatietrouwe patiënte en dat is verzoekster op dit moment niet. Gelet hierop wordt dit daarom niet als een haalbare en veilige behandeloptie beschouwd. Verzoekster heeft bovendien zelf aangegeven geen clozapine te willen.
Tenslotte laat de psychiater weten dat sinds hij verzoekster kent sprake is van een stabiel toestandsbeeld bij verzoekster en dat is voor hem ook reden de dosering nu te verlagen. Helemaal stoppen met de medicamenteuze behandeling acht hij gelet op de aanwezige stoornis en eerdere decompensaties echter niet verantwoord en zeker niet, als dat ineens zou gebeuren.

Beoordeling

Bevoegdheid en Ontvankelijkheid
De rechtbank Den Haag is bevoegd. Het verzoekschrift van verzoekster voldoet aan de wettelijke vereisten en is daardoor ontvankelijk.
Het stopzetten van verlenen van verplichte zorg in de vorm van depotmedicatie
Voor het verlenen van verplichte zorg moet sprake zijn van ernstig nadeel dat wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis. De rechtbank stelt vast, mede gelet op de beschikking van 6 januari 2026 waarbij een zorgmachtiging ten behoeve van verzoekster is verleend - die inmiddels kracht van gewijsde heeft - , de bevestigingen in het oordeel van de second opinion arts van 3 december 2025 èn de psychiater ter zitting, dat bij verzoekster sprake is van een psychische stoornis, te weten een schizoaffectieve stoornis.
Ter zitting heeft verzoekster de aanwezigheid van de stoornis ook niet langer ontkend.
De rechtbank stelt op grond van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken ook vast dat de psychische stoornis van verzoekster bij niet-behandeling leidt tot ernstig nadeel. Decompensatie is dan het gevolg en gedurende een decompensatie is er bij verzoekster sprake van agitatie, verbale agressie, mutisme, zelfverwaarlozing, uit contact gaan met directe familie en kleinkinderen alsook van het maken van schulden door overmatig gokken. In zo’n fase verwaarloost verzoekster ook haar eigen huis. In het verleden heeft dit bij herhaling geleid tot gedwongen opnamen. Het psychiatrisch toestandsbeeld van verzoekster is inmiddels al langere tijd stabiel, ter zitting is onduidelijk gebleven hoe lang precies maar afgaand op de woorden van psychiater Razmand in elk geval sinds begin 2026, en dat is volgens hem uitsluitend toe te schrijven aan de huidige medicamenteuze behandeling.
De rechtbank heeft geen enkele reden aan deze toelichting te twijfelen en neemt deze dan ook over.
Verzoekster verzet zich al geruime tijd voornamelijk en bij herhaling verbaal tegen de voorgeschreven medicatie en zij is in het accepteren ervan ook ontrouw. Zij beoogt nu met haar klacht te bewerkstelligen dat haar wens alsnog vervuld gaat worden om de haar voorgeschreven behandeling met (depot)medicatie gestopt te krijgen, althans deze zo snel mogelijk te mogen afbouwen. Afgaande op het door de zorgaanbieder geschetste voorzienbare gevolg van decompensatie met het daaruit voortvloeiende ernstig nadeel bij niet-behandeling is de rechtbank van oordeel dat er geen reden is om de voorgeschreven behandeling niet voort te zetten, ondanks hevig verzet van verzoekster hiertegen.
Verzoekster stelt dat, vanwege de ernstige bijwerkingen die zij ondervindt ten gevolge van de toepassing van de verplichte behandeling met (depot)medicatie, deze zorgvorm niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid, zoals genoemd in artikel 2:1, lid 2, Wvggz. De rechtbank gaat daarin niet mee.
Op 21 januari 2026 heeft de psychiater verzoekster thuis bezocht en haar situatie met haar besproken. Ook heeft hij toen de noodzaak aan de orde gesteld van de inzet van (depot)medicatie vanwege haar toestandsbeeld. Het verzet van verzoekster tegen welke behandeling dan ook bleef onveranderd aanwezig en de zorgaanbieder had gelet op het adequaat voorkomen van voorzienbaar ernstig nadeel geen andere mogelijkheid dan tot uitvoering van zijn beslissing over te gaan. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat de depotmedicatie in verhouding staat tot het doel waarvoor deze is ingezet, namelijk de stabilisatie van het psychische toestandsbeeld van verzoekster en het afwenden van ernstig nadeel. Niet is gebleken dat er minder bezwarende alternatieven beschikbaar zijn. Het stabiele toestandsbeeld van verzoekster sindsdien toont aan dat het verlenen van deze verplichte zorgvorm evenredig, doelmatig en effectief is.
De psychiater heeft ter zitting nog verklaard dat de klachten van verzoekster over bijwerkingen serieus worden genomen en ook, voor zover dat nog niet gebeurde, medisch zullen worden onderzocht, zodra verzoekster daaraan medewerking verleent. De aanvankelijke dosering van de (depot)medicatie is in de zomer van 2025 in samenspraak met verzoekster verlaagd. Verzoekster ervaart niettemin nog steeds bijwerkingen en ter zitting heeft de psychiater aangegeven de huidige dosering vanwege de verzwakte lichamelijke conditie van verzoekster bij het eerstvolgende depot op 28 mei 2026 opnieuw te zullen verlagen, van 300 mg naar 250mg. Gemonitord zal worden welk effect dit heeft op het toestandsbeeld van verzoekster en eventuele bijwerkingen.
Verzoekster wordt ook door de psychiater uitgenodigd om, al dan niet samen met haar familie, zoveel mogelijk het gesprek met de behandelaren aan te gaan om over eventuele bijwerkingen te spreken en samen naar een passende oplossing daarvoor te zoeken. Een behandeling die gebaseerd is op samenwerking en overleg heeft altijd de voorkeur.
Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat de klacht van verzoekster ongegrond moet worden verklaard.
Schadevergoeding
Nu de klacht ongegrond wordt verklaard, is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding voor toekenning van de verzochte schadevergoeding ten aanzien van verzoekster. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding dan ook af.

Beslissing:

De rechtbank:
stelt vast dat het schorsingsverzoek is ingetrokken;
verklaart de klacht ongegrond;
wijst af het verzoek om schadevergoeding.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.L. Crommelin-Sandberg, rechter, bijgestaan door S.H. Chang als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 19 mei 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.