ECLI:NL:RBDHA:2026:15237

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
6 juni 2026
Zaaknummer
C/09/704676 / JE RK 26-774
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • S.J. Hoekstra-va Vliet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:257 BWArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen wegens complexe ouderlijke conflicten

De vader en moeder, gescheiden en gezamenlijk gezaghebbend, zijn betrokken bij een conflict over de zorgregeling van hun twee in 2016 geboren kinderen. De kinderen verblijven hoofdzakelijk bij de moeder. Op 6 mei 2026 heeft de kinderrechter een mondeling verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming behandeld om de kinderen voorlopig onder toezicht te stellen.

De kinderrechter constateert een ernstige en acute bedreiging voor het welzijn van de kinderen door langdurige hoge spanningen en strijd tussen de ouders, waarbij de kinderen klem zitten. Er is sprake van grote weerstand van de kinderen tegen contact met de vader, waarvan de oorzaak onduidelijk is en waarover ouders uiteenlopende verklaringen geven. Hulpverlening in het vrijwillige kader heeft niet geleid tot verbetering.

De voorlopige ondertoezichtstelling wordt voor drie maanden toegewezen om de acute bedreiging weg te nemen en om via een jeugdbeschermer duidelijkheid te verkrijgen over de oorzaak van de weerstand en de benodigde hulpverlening. Deze informatie is ook relevant voor de lopende bodemprocedure over de zorgregeling. De beschikking is op 6 mei 2026 mondeling gegeven en op 20 mei 2026 schriftelijk vastgesteld.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de twee minderjarige kinderen voorlopig onder toezicht voor drie maanden wegens acute bedreiging door ouderlijk conflict en weerstand tegen contact met de vader.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/704676 / JE RK 26-774
Datum uitspraak: 6 mei 2026

Beschikking van de kinderrechter

Voorlopige ondertoezichtstelling

in de zaak naar aanleiding van het op 6 mei 2026 mondeling gedane verzoek door en bevestigd bij het op 7 mei 2026 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,

hierna te noemen: de Raad,
betreffende:
-
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 1];
-
[minderjarige 2], geboren [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vader],

hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. A. Hasem Jawaheri te Amsterdam,

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. C. Ekholm te Leiden.

Het procesverloop

Op 6 mei 2026 heeft op de zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank de behandeling plaatsgevonden van de kortgedingprocedure, waarin de vader (onder meer) vordert om de moeder te veroordelen tot nakoming van de geldende voorlopige zorgregeling en de moeder verweer voert en (onder meer) vordert om de vader het recht op omgang met de kinderen te ontzeggen (C/09/703526 KG ZA 26-409). De Raad heeft op de zitting mondeling verzocht om de kinderen voorlopig onder toezicht te stellen. Dit verzoek is op 7 mei 2026 schriftelijk bevestigd.
Het mondelinge verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling is op 6 mei 2026 op de zitting met gesloten deuren behandeld. Bij de zitting waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- [naam] namens de Raad.

Feiten

  • De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd geweest.
  • Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.
  • Zij zijn de ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
  • De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
  • De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.

Verzoek

Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], met toepassing van artikel 1:257 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
De vader en de moeder hebben ingestemd met het verzochte, althans hebben zich niet tegen toewijzing daarvan verzet.

Beoordeling

De kinderrechter is van oordeel dat een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld (artikel 1:255 BW Pro). Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen. Zij zullen onder toezicht worden gesteld voor de duur van drie maanden (artikel 1:257 BW Pro). De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
Op basis van de processtukken, de mededelingen van partijen op de zitting en het gesprek van de kinderrechter met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is de kinderrechter van oordeel dat er sprake is van een complexe situatie, waarin dringend hulpverlening nodig is. Er is al lange tijd sprake van aanhoudende hoge spanningen en strijd tussen de ouders en zij maken elkaar in dat kader over en weer ernstige verwijten. De kinderen worden hiermee belast en zitten klem tussen de ouders. Het is de ouders niet gelukt om met hulpverlening in het vrijwillige kader de benodigde stappen te zetten om in het belang van de kinderen te werken aan hun onderlinge problematiek en het maken van werkbare afspraken over de zorgregeling tussen de kinderen en de vader. Daarnaast is het in het kader van de (identiteits)ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zorgelijk dat de kinderen grote weerstand tegen (contact met) de vader lijken te ervaren. Daar komt bij dat de verklaringen van de ouders over het ontstaan van deze weerstand erg uiteenlopen en de ouders vooralsnog geen hulp hebben ingezet voor de kinderen.
De kinderrechter vindt het van groot belang dat er zo spoedig mogelijk meer duidelijkheid komt over de oorzaak van de weerstand die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren, alsook over de hulpverlening die in dat verband kan worden ingezet. Hierin kan de jeugdbeschermer – die op grond van de voorlopige ondertoezichtstelling zal worden aangewezen – een rol spelen. Deze informatie kan ook van belang zijn in de door de vader aanhangig gemaakte bodemprocedure (ambtshalve bekend onder het zaaknummer C/09/688873 FA RK 25-5533), waarin verzoeken ten aanzien van de zorgregeling voorliggen en waarvan de voortgezette mondelinge behandeling plaatsvindt op de zitting van 24 juni 2026. In de kortgedingprocedure heeft de voorzieningenrechter (tevens kinderrechter) de jeugdbeschermer daarom verzocht om de rechtbank in de voornoemde bodemprocedure te informeren over welke hulpverlening aangewezen is voor de ouders en de kinderen en welke zorgregeling het meest in het belang van de kinderen is in de huidige omstandigheden.
Daarom zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:
stelt de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats], en;
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats];
van 6 mei 2026 tot 6 augustus 2026 voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west, Regio Haaglanden;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesrpoken op 6 mei 2026 door mr. S.J. Hoekstra-va Vliet, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Klootwijk als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 20 mei 2026
Ingevolge artikel 807 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen deze beslissing geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.