De ouders zijn gescheiden en oefenen gezamenlijk gezag uit over hun minderjarige kind, dat bij de moeder woont. De vader verzoekt vervangende toestemming om met het kind in de zomervakantie naar het buitenland te reizen, omdat de moeder geen toestemming geeft uit vrees voor kinderontvoering.
De moeder voert aan dat er een reëel risico bestaat op achterhouding van het kind in het buitenland en twijfelt aan de verantwoordelijkheid van de vader. De vader ontkent deze risico's en benadrukt zijn binding met Nederland en het belang van het kind om haar culturele achtergrond te leren kennen.
De rechtbank oordeelt dat onvoldoende concrete aanwijzingen zijn voor een reëel risico op kinderontvoering. Het belang van het kind bij contact met de vader en het leren kennen van haar cultuur weegt zwaar. De rechtbank verleent daarom vervangende toestemming voor de reis, met voorwaarden zoals het tijdig verstrekken van een vakantieplan en videobelcontact tussen moeder en kind.
Veiligheidsmaatregelen zoals een tracker of telefoonplicht worden afgewezen als disproportioneel. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de moeder wordt afgewezen in haar aanvullende verzoeken.