De minister van Asiel en Migratie legde op 13 januari 2026 aan eisers een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Eisers stelden beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De minister hief de bewaring op 20 januari 2026 op. De rechtbank behandelde het beroep op 23 januari 2026, waarbij de gemachtigde van eisers niet verscheen.
De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest en of schadevergoeding toekwam. De minister had de bewaring gemotiveerd met zware en lichte gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen, het ontvangen van een overdrachtsbesluit en het risico op onderduiken. De rechtbank oordeelde dat deze gronden samen voldoende waren om de bewaring te dragen en dat een lichter middel niet effectief zou zijn geweest.
Verder stelde de rechtbank vast dat de belangen van de kinderen waren meegewogen en dat er geen persoonlijke of medische omstandigheden waren die een lichter middel rechtvaardigden. De minister werkte voortvarend aan de overdracht, die op 20 januari 2026 aan Duitsland plaatsvond. De rechtbank zag geen aanleiding om de bewaring onrechtmatig te achten en wees de beroepen en schadevergoedingsverzoeken af.