ECLI:NL:RBDHA:2026:1519

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
26.2268, 26.2271, 26.2273, 26.2274, 26.2278, 26.2279, 26.2280, 26.2281, 26.2285, 26.2291, 26.2293
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 106 VwDublinverordeningVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

De minister van Asiel en Migratie legde op 13 januari 2026 aan eisers een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Eisers stelden beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De minister hief de bewaring op 20 januari 2026 op. De rechtbank behandelde het beroep op 23 januari 2026, waarbij de gemachtigde van eisers niet verscheen.

De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest en of schadevergoeding toekwam. De minister had de bewaring gemotiveerd met zware en lichte gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen, het ontvangen van een overdrachtsbesluit en het risico op onderduiken. De rechtbank oordeelde dat deze gronden samen voldoende waren om de bewaring te dragen en dat een lichter middel niet effectief zou zijn geweest.

Verder stelde de rechtbank vast dat de belangen van de kinderen waren meegewogen en dat er geen persoonlijke of medische omstandigheden waren die een lichter middel rechtvaardigden. De minister werkte voortvarend aan de overdracht, die op 20 januari 2026 aan Duitsland plaatsvond. De rechtbank zag geen aanleiding om de bewaring onrechtmatig te achten en wees de beroepen en schadevergoedingsverzoeken af.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep tegen de maatregel van bewaring en de verzoeken om schadevergoeding af omdat de bewaring rechtmatig was.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.2279, NL26.2273, NL26.2271, NL26.2291, NL26.2293, NL26.2280, NL26.2281, NL26.2285, NL26.2268, NL26.2274, NL26.2278.

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam],V-nummer: [nummer],

[naam],

V-nummer: [nummer],

[naam],

V-nummer: [nummer],

[naam],

V-nummer: [nummer],

[naam],

V-nummer: [nummer],

[naam],

V-nummer: [nummer],

[naam],

V-nummer: [nummer],

[naam],

V-nummer: [nummer],

[naam],

V-nummer: [nummer],

[naam]

V-nummer: [nummer],

[naam],

V-nummer: [nummer],

gezamenlijk: eisers,

(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. K. Nuninga).

Inleiding

1. De minister heeft op 13 januari 2026 aan eisers de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eisers hebben tegen de maatregel van bewaring op beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft op 20 januari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eisers is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eisers schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eisers een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een significant risico bestaat op onderduiken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eisers:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze zijn binnengekomen, dan wel een poging daartoe hebben gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit hebben ontvangen en geen medewerking verlenen aan de
overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van hun
asielverzoek;
3m. een overdrachtsbesluit hebben ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op
zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht
binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de
behandeling van hun asielverzoek.
(lichte gronden)
4a. zich niet aan één of meer andere voor hen geldende verplichtingen van hoofdstuk 4
hebben gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats hebben;
4d. niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Voortraject
4. De rechtbank stelt vast dat eisers de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet hebben bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
5. De rechtbank is van oordeel dat eisers vallen onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestond een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de Dublinverordening. Op 15 januari 2026 hebben eisers een overdrachtsbesluit gekregen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielaanvraag.
Gronden
6. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat een significant risico bestond dat eisers zich aan het toezicht zouden onttrekken.
Lichter middel
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eisers een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. Dat eisers tijdens de vertrekgesprekken hebben aangegeven mee te zullen werken aan overdracht naar Duitsland als het moet, doet hier niet aan af. De minister heeft in dat kader terecht overwogen dat eisers de aanvraag voor vrijwillige terugkeer naar Irak hebben ingetrokken en dat zij tijdens eerdere gesprekken uitdrukkelijk hebben aangegeven niet aan Duitsland overgedragen te willen worden. De eerdere gedragingen van eisers in combinatie met de gronden van bewaring maken dat de minister ervan uit mocht gaan dat een lichter middel niet effectief kon worden toegepast. De rechtbank is verder van oordeel dat de belangen van de kinderen voldoende zijn meegewogen en dat niet is gebleken van belangen die aanleiding zouden moeten geven tot het opleggen van een lichter middel.
7.1.
De rechtbank is voor het overige niet gebleken van persoonlijke belangen dan wel medische omstandigheden van eisers die de bewaring voor hen onevenredig bezwarend maken, en waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eisers een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkte aan de overdracht van eisers en dat zicht op overdracht niet ontbrak. Eisers zijn op 20 januari 2026 overgedragen aan Duitsland.

Conclusie en gevolgen

9. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat het opleggen van de maatregelen van bewaring onrechtmatig moet worden geacht. [2]
10. De beroepen zijn ongegrond. Daarom worden ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier¸ en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022 in de zaak C, B en X tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-704/20 en C-39/21, ECLI:EU:C:2022:858.