ECLI:NL:RBDHA:2026:1516
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroep
Verzoeker heeft bij besluit van 11 juni 2025 een afwijzing ontvangen op zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER. Hiertegen maakte hij bezwaar, waarna de minister op 30 juli 2025 het bezwaar afwees. Verzoeker stelde vervolgens beroep in op 1 augustus 2025, waardoor het verzoek om een voorlopige voorziening werd omgezet naar een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 9 januari 2026, waarbij de gemachtigde van verzoeker aanwezig was, maar de minister zich afmeldde. Op 16 januari 2026 verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk, waardoor er geen beroep meer aanhangig was.
Omdat op dat moment niet meer werd voldaan aan het vereiste van connexiteit zoals neergelegd in artikel 8:81 Awb Pro, werd het verzoek om een voorlopige voorziening door de voorzieningenrechter niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker kreeg het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een aanhangig beroep.