Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15131

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
6 juni 2026
Zaaknummer
C/09/687499 / FA RK 25-4790
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gezamenlijk ouderlijk gezag na verbeterde communicatie tussen ouders

Partijen zijn de ouders van een minderjarige die feitelijk bij de moeder verblijft. De moeder was tot op heden alleen met het ouderlijk gezag belast. De vader verzocht om gezamenlijk gezag, nadat eerdere verzoeken waren afgewezen. De rechtbank constateert dat de situatie sinds de laatste beschikking in 2024 is gewijzigd, met verbeterde communicatie en samenwerking tussen de ouders.

De moeder betwist dat de communicatie verbeterd is en vreest toekomstige conflicten, maar de rechtbank acht de overgelegde e-mails onvoldoende bewijs voor een blijvend verstoorde relatie. De vader heeft recent een week de zorg voor de minderjarige op zich genomen, wat het wederzijds vertrouwen illustreert.

De rechtbank overweegt dat het belang van de minderjarige het uitgangspunt van gezamenlijk gezag ondersteunt en dat er geen onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarige klem of verloren raakt. De verzoeken met betrekking tot hoofdverblijfplaats en zorgregeling zijn ingetrokken, zodat de rechtbank daarop niet meer beslist.

De ouders worden verwezen naar een traject ouderschapsbemiddeling om de communicatie verder te verbeteren. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de ouders krijgen gezamenlijk het gezag toegewezen.

Uitkomst: De rechtbank kent het gezamenlijk gezag toe aan de vader en moeder over de minderjarige.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-4790
Zaaknummer: C/09/687499
Datum beschikking: 6 mei 2026

Gezag, hoofdverblijfplaats en zorgregeling c.q. omgangsregeling

Beschikking op het op 25 juni 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D. Vurdelja te ‘s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P.H.A. de Boer te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 14 juli 2025 van de zijde van de vader, met bijlage;
  • het verweerschrift;
  • het F9-formulier van 29 maart 2026 van de zijde van de moeder, met bijlagen.
Op 7 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader met zijn advocaat;
  • de moeder met haar advocaat;
  • [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).
De [minderjarige] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Zij zijn de ouders van de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats].
  • De vader heeft [minderjarige] erkend.
  • [minderjarige] verblijft feitelijk bij de moeder.
  • De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 4 maart 2022 is – voor zover hier van belang – de raad verzocht een onderzoek te doen naar het gezag en de omgang.
  • De raad heeft in 2023 onderzoek gedaan en gerapporteerd. Bij beschikking van deze rechtbank van 22 maart 2024 – voor zover hier van belang –:
- is het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag afgewezen;
- is bepaald dat [minderjarige] bij de vader zal zijn onder meer:
- in week 1: van maandag uit school tot woensdag naar school,
in week 2: van zondag 12.00 uur tot dinsdag naar school,
- zijn partijen verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap.
- De moeder heeft in 2025 het voornemen geuit om met [minderjarige] naar [land 1] te verhuizen. De vader is een kort geding procedure gestart om deze verhuizing tegen te gaan. Bij kort geding vonnis van deze rechtbank van 17 juli 2025 is – voor zover hier van belang – bepaald dat het de moeder niet is toegestaan om met de minderjarige te verhuizen buiten de gemeente [plaats] en directe omgeving daarvan, zijnde een straal van maximum 10 kilometer, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de moeder in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,-.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt:
  • te bepalen dat hij voortaan samen met de moeder wordt belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige];
  • te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem wordt vastgesteld;
  • een zorgregeling te bepalen tussen de moeder en [minderjarige], waarbij [minderjarige] het merendeel van de vakanties bij de moeder zal verblijven, behalve twee weken in de zomervakantie, waarbij de moeder de reiskosten van [minderjarige] voor haar rekening zal nemen;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Gezag
Op grond van artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van een minderjarige, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over de minderjarige te belasten. Ingevolge het tweede lid van artikel 1:253c BW wordt een verzoek tot gezamenlijk gezag, indien de andere ouder hiermee niet instemt, slechts afgewezen indien: (a) er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarige klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) afwijzing anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
Uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen over hun kinderen. Slechts in uitzonderingsgevallen kan worden aangenomen dat het belang van de minderjarigen vereist dat één van de ouders met het gezag belast blijft.
Standpunt vader
De vader heeft zijn verzoek, verkort weergegeven, als volgt onderbouwd. De vader heeft zich in het verleden neergelegd bij de eerdere afwijzende beslissing over het gezag, omdat hij niet meer verder wilde procederen. Inmiddels zijn de omstandigheden gewijzigd waardoor hij nu opnieuw gezamenlijk gezag verzoekt. Het contact tussen partijen is aanzienlijk verbeterd en er is rust ontstaan in de onderlinge verhouding. De moeder stelt zich flexibel op met de omgangsregeling, waardoor de vader en [minderjarige] elkaar vaker zien. De vader is tijdens een verblijf van de moeder in [land 2] ook bijgesprongen en heeft toen de hele week de zorg voor [minderjarige] op zich genomen. Er is rust en ruimte voor overleg. De vader speelde daarom al een tijd met het idee om het gezag nogmaals met moeder te bespreken, maar voor hij dit kon doen besloot de moeder dat zij met [minderjarige] naar [land 1] wilde verhuizen. De vader was het hiermee niet eens en is een kort geding gestart, waarna aan de moeder een verhuisverbod is opgelegd. De vader wil graag dat hij in de toekomst betrokken wordt bij beslissingen over [minderjarige] en vindt dat de ouders gezamenlijk in staat zijn deze beslissingen te nemen, zonder dat [minderjarige] klem en/of verloren komt te zitten.
Standpunt moeder
De moeder vindt niet dat de communicatie tussen de ouders verbeterd is. De moeder zou graag willen dat de vader meer betrokken is bij [minderjarige], maar merkt in de praktijk dat zij regelmatig geen reactie krijgt op dat wat ze met de vader wil bespreken. Volgens de moeder is er geen sprake van overleg en samenwerking en dit blijkt volgens haar uit mails die zij heeft overgelegd. Daarnaast is er bij beschikking van 22 maart 2024 uitvoerig geoordeeld over het gezamenlijk gezag. De moeder vindt dat de situatie niet zodanig veranderd is dat er nu een ander oordeel zou moeten volgen. De moeder vreest dat een wijziging van het gezag in de toekomst zal leiden tot meerdere vervangende toestemmingsprocedures. Dat is niet in het belang van [minderjarige]. Het verzoek tot gezamenlijk gezag moet daarom afgewezen worden.
Inhoudelijk beoordeling
De rechtbank is van oordeel, gelet op de door beide partijen overgelegde stukken en wat ter zitting naar voren is gebracht, dat vast is komen te staan dat de situatie ten opzichte van 2024 is gewijzigd. Het is de rechtbank gebleken dat de ouders in staat zijn om met elkaar te overleggen over zaken als een ouderavond, het huiswerk van [minderjarige], zijn voetbal, afspraken rondom de omgang en ook de door de moeder gewenste verhuizing. Daarnaast is gebleken dat de vader recent een week de zorg over [minderjarige] op zich heeft genomen, toen de moeder onverwachts naar [land 2] moest. Daaruit blijkt een zeker vertrouwen over en weer, dat er eerder niet was. Gelet op dit alles oordeelt de rechtbank dat sprake is van een wijziging van omstandigheden en zal zij overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot gezamenlijk gezag.
Zoals ter zitting ook is besproken, is het uitgangspunt van de wetgever dat ouders gezamenlijk belast zijn met het gezag over hun kinderen. De rechtbank ziet in de gewijzigde omstandigheden aanleiding om aan te sluiten bij dit uitgangspunt en zij overweegt daartoe als volgt. De vader heeft appberichten overgelegd, waarin de rechtbank ziet dat er sprake is van goed contact en overleg tussen de ouders op een respectvolle manier. Over en weer worden inhoudelijk zorgen gedeeld met betrekking tot [minderjarige]. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gebleken, ook gelet op wat ouders ter zitting hebben verklaard over hoe het gaat, dat er geen sprake (meer) is van een verstoorde verhouding tussen de ouders, zodanig dat [minderjarige] in geval van gezamenlijk gezagsuitoefening dreigt klem of verloren te raken. De moeder heeft weliswaar e-mailberichten overgelegd waaruit volgens haar een nog verstoorde verhouding blijkt. Het gaat hierbij echter om enkele e-mailberichten die kort na de uitspraak in kort geding naar de moeder zijn gestuurd – geruime tijd geleden dus – en waarvan niet vast staat dat deze van de vader afkomstig zijn. De mails zijn afkomstig van ene [naam 2] en de vader heeft verzending van deze berichten betwist. Ook uit de overige door de moeder ingediende stukken blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de communicatie tussen de ouders niet goed verloopt. De rechtbank gaat er dus van uit dat de spanningen tussen partijen die de Raad in 2023 in het raadsrapport beschreef en benoemde, niet langer (in die mate) aanwezig zijn.
De moeder heeft ter zitting nog naar voren gebracht dat zij vreest dat er bij gezamenlijk gezag geschillen zullen ontstaan over te nemen beslissingen over [minderjarige]. Zij is bang dat partijen hiervoor dan steeds naar de rechter zullen moeten. Het is de rechtbank niet aannemelijk geworden dat de vader toekomstige beslissingen van de moeder zal dwarsbomen. Bovendien is het bij grote beslissingen, zoals een verhuizing naar het buitenland, ook het recht van de vader om hiermee niet in te stemmen als hij het daarmee niet eens is. Het is van belang dat ouders over dit soort beslissingen met elkaar in overleg gaan en de rechtbank gaat er gelet op de wijze waarop zij de afgelopen periode met elkaar in overleg zijn getreden, van uit dat zij hiertoe voortaan voldoende in staat zijn.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat [minderjarige] klem en verloren dreigt te raken als ouders gezamenlijk met het gezag worden belast dan wel dat afwijzing anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de vader toewijzen en hem mede met het gezag belasten over [minderjarige].
Beide ouders hebben aangegeven dat de communicatie nog beter kan. Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank zal de ouders bij eindbeschikking verwijzen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient
Hoofdverblijfplaats en zorgregeling
Ter zitting zijn door de vader de verzoeken met betrekking tot de hoofdverblijfplaats en zorgregeling ingetrokken. De rechtbank hoeft daarop dus niet meer te beslissen.

BeslissingDe rechtbank:

bepaalt dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats],
en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de vader],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
[de moeder],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
- Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
stelt vast dat de ouders bij eindbeschikking zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.M. Westerhuis-Evers, kinderrechter, bijgestaan door mr. S.J. te Boekhorst als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 6 mei 2026.