De minister van Asiel en Migratie legde aan eiser, een vreemdeling van Algerijnse nationaliteit, op 8 mei 2026 een maatregel van bewaring op. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit, dat tevens werd aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank hield op 5 juni 2026 een telehoorzitting waarbij eiser niet kon worden gehoord vanwege een defecte videoverbinding met het detentiecentrum Rotterdam.
Volgens artikel 94, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 moet een vreemdeling binnen veertien dagen na ontvangst van het beroepschrift worden gehoord. Het beroepschrift werd op 22 mei 2026 ontvangen, waardoor de termijn eindigde op 5 juni 2026. Door het ontbreken van de videoverbinding kon eiser niet worden gehoord binnen deze termijn, waardoor de maatregel van bewaring onrechtmatig werd geacht.
De rechtbank oordeelde dat er geen aanleiding was om de maatregel eerder op te heffen dan de dag van de zitting. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen, maar de minister werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.868,-, te betalen aan de rechtsbijstandsverlener vanwege de verleende toevoeging.