Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15106

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
NL24.25334
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis vernietigd wegens niet-naleving samenwerkingsverplichting

Eisers en verzoekers, allen met de Eritrese nationaliteit, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan in het kader van nareis. De minister wees de aanvraag af omdat de identiteit en familierechtelijke relatie niet waren aangetoond en eisers niet beschikbaar waren voor nader onderzoek. Eisers konden echter niet uitreizen vanwege ernstige veiligheidsrisico's, waaronder ontvoeringen en gevangenschap met losgeldbetalingen.

De rechtbank oordeelde dat de minister niet had voldaan aan zijn samenwerkingsverplichting, mede gelet op jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU en eerdere uitspraken. Van eisers kon niet langer worden verlangd dat zij naar Ethiopië reizen voor DNA-onderzoek. De minister moet alternatieve bewijsmethoden onderzoeken, zoals samenwerking met andere lidstaten of het horen van betrokkenen.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en beval een nieuw besluit met inachtneming van deze overwegingen. De proceskosten van eisers werden toegewezen, terwijl het verzoek van verzoekers werd afgewezen. Het beroep tegen het deel van het besluit dat verzoekers betrof, werd ingetrokken.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens niet-naleving van de samenwerkingsverplichting door de minister.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.25334

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker 1], V-nummer: [V-nummer], verzoeker 1

mede namens:
[eiseres],geboren op [geboortedatum 1] 1972, eiseres
[eiser],geboren op [geboortedatum 2] 2007, eiser
[verzoeker 2],geboren op [geboortedatum 3] 2008, verzoeker 2
[verzoeker 3],geboren op [geboortedatum 4] 2013, verzoeker 3
tezamen: eisers en verzoekers
(gemachtigde: mr. E.A.M. Verstelle),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L.G. de Rooij).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser en eiseres (tezamen: eisers) tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het verzoek om een proceskostenvergoeding van verzoekers 1, 2 en 3 (tezamen: verzoekers).
1.1.
Referent heeft namens eisers en verzoekers een aanvraag voor een mvv gedaan, welke door verweerder met het besluit van 5 oktober 2022 is afgewezen. Met het bestreden besluit van 13 juni 2024 op het bezwaar van eisers en verzoekers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Met het aanvullende besluit van 8 december 2025 heeft verweerder het bestreden besluit in stand gehouden.
1.2.
Op 13 april 2026 hebben eisers en verzoekers laten weten dat verzoekers beschikbaar zijn voor DNA-onderzoek in Ethiopië. Ook hebben zij laten weten dat zij meerdere uitreispogingen hebben ondernomen en dat verzoeker 1 gevangen is genomen en voor zijn vrijlating losgeld betaald moest worden. Eiser is ook gevangengenomen, maar is sinds zijn ontsnapping vermist. Ook verzoeker 2 is opgepakt en heeft voor zijn vrijlating losgeld moeten betalen.
1.3.
Op 22 april 2026 heeft verweerder het bestreden besluit voor zover het ziet op verzoekers ingetrokken. Op 23 april 2026 is het beroep voor zover gericht tegen dit deel van het besluit vóór de zitting ingetrokken.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep voor zover het ziet op eisers op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] (referent), de gemachtigde van eisers en verzoekers, T. Menelik als tolk en de gemachtigde van verweerder.
1.5.
Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van verzoekers de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten ten aanzien van het ingetrokken beroep dat zag op verzoekers.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eisers en verzoekers hebben de Eritrese nationaliteit. Referent is het gestelde kind van verzoeker 1 en eiseres, en de gestelde (half)broer van verzoeker 2 en 3.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag van referent afgewezen, omdat de identiteit van eisers en de familierechtelijke relatie tussen hen en referent niet zijn aangetoond. Op basis van de door hen overgelegde documenten kan verweerder de identiteit en familierechtelijke relatie namelijk niet vaststellen. Verweerder heeft eisers weliswaar het voordeel van de twijfel gegeven en nader onderzoek aangeboden, maar eisers zijn niet beschikbaar voor nader onderzoek. Het is volgens verweerder niet mogelijk om uit te wijken naar een niet-Nederlandse ambassade in Eritrea omdat er geen sprake is van een schrijdende situatie. Verweerder heeft geen uitstel verleend aan eisers om beschikbaar te zijn voor nader onderzoek. Er is volgens verweerder geen aanleiding om wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van beleidsregels [1] . Verweerder ziet geen aanleiding om te horen.
Het beroep van eisers
Wat vinden eisers in beroep?
3. Eiseres en eiser zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst stellen zij dat hetgeen zij eerder in de procedure hebben verklaard geldt als gronden van beroep en dat de eerder overgelegde stukken als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. Verder had verweerder moeten horen in bezwaar. Zij kunnen niet uitreizen vanwege de veiligheidssituatie en niet valt in te zien waarom verweerder geen nader onderzoek heeft gedaan in Eritrea zelf.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank geeft eisers in deze zaak gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Samenwerkingsverplichting
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn samenwerkingsverplichting. In beroep hebben eisers verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 maart 2019 [2] en de uitspraak van de zittingsplaats Zwolle van 19 maart 2025 [3] , waaruit zou volgen dat verweerder eisers een alternatief moet bieden om hen tegemoet te komen. De rechtbank doet deze uitspraak onder verwijzing naar die uitspraken. [4]
5.1.
De rechtbank stelt vast dat uit het door eisers genoemde arrest van het Hof volgt dat de eisen die de minister mag stellen aan het bewijs dat door een vreemdeling moet worden geleverd, afhangen van de situatie waarin de betrokken vreemdeling zich bevindt. De eisen moeten evenredig zijn en afhangen van de aard en het niveau van de problemen waaraan de vreemdeling blootstaat. [5] Verweerder mag het verzoek om gezinshereniging afwijzen, als de vreemdeling zelf zijn kant van de samenwerkingsverplichting niet nakomt. [6]
5.2.
Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder niet betwist dat verzoeker 3 is vastgehouden in Ethiopië en losgeld moest betalen, dat verzoeker 1 en eiser bij de uitreis zijn ontvoerd, dat verzoeker 1 losgeld moest betalen om vrij te komen en dat eiser na zijn ontsnapping vermist is geraakt. Verweerder heeft tijdens de zitting bevestigd dat hij op de hoogte was van deze ontwikkelingen. Dat eiseres zelf is teruggereisd naar Eritrea voor de begrafenis van haar broer, maakt de conclusie ten aanzien van haar niet anders. Allereerst heeft verweerder dit niet betwist. Daarbij komt dat eisers en verzoekers als gezin gezamenlijk obstakels hebben ondervonden bij hun uitreis(pogingen). Daarnaast is niet in geschil dat eiseres daarna meerdere malen heeft geprobeerd om alsnog weer uit te reizen naar Eritrea. In het geval van eisers is gebleken dat het voor hen (nagenoeg) onmogelijk is om in Ethiopië DNA-bewijs af te staan. Gelet op de pogingen die zij hebben ondernomen om uit te reizen met alle gevolgen van dien, volgt de rechtbank verweerder niet in zijn standpunt dat eisers niet hebben voldaan aan hun inspanningsverplichting. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet langer van eisers kan worden verlangd dat zij afreizen naar Ethiopië voor nader onderzoek.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank moet verweerder rekening houden met deze omstandigheden en kijken naar alternatieve bewijsmethodes voor eisers. [7] Voor eiser geldt dit ook, mocht hij in de (nabije) toekomst niet meer vermist zijn. Verweerder is specifiek verplicht om te onderzoeken of hij zou kunnen samenwerken met één van de andere lidstaten die wel een ambassade of diplomatieke vertegenwoordiging in Eritrea hebben, zodat het op die manier voor eisers mogelijk zou worden om het DNA-onderzoek in Eritrea zelf te ondergaan.
5.4.
Als zou blijken dat het niet mogelijk is om samen te werken met andere lidstaten, dan moet verweerder nagaan of er andere mogelijkheden zijn voor eisers om het bewijs te leveren. Zoals eisers in beroep hebben aangevoerd, zou in dat geval bijvoorbeeld gedacht kunnen worden aan het vaststellen van de familierechtelijke relatie door middel van gehoren met eisers, verzoekers en referent. De rechtbank wijst in dit verband op de conclusie van advocaat-generaal N. Wahl van 29 november 2018 dat voorafging aan voornoemd arrest van het Hof. Daaruit kan worden afgeleid dat ook aan het horen van – bijvoorbeeld – de betrokken ouders bewijswaarde kan worden toegekend. [8]
5.5.
Het standpunt van verweerder dat eisers ook Eritrea moeten uitreizen als de mvv wordt afgegeven en eisers de gezinshereniging te effectueren, maakt de conclusie niet anders. Er zit namelijk een wezenlijk verschil tussen verlangen van uitreizen voor nader onderzoek en voor het ophalen van de mvv en het effectueren van de gezinshereniging. Het is aan eisers om de afweging te maken, wanneer de gezinsband is vastgesteld en daarmee het recht op gezinshereniging vaststaat, of zij gebruik willen maken van hun recht om (te proberen) naar Nederland af te reizen om het recht op gezinshereniging te effectueren. Ook miskent verweerder daarmee dat hij op die manier extra reisbewegingen van eisers verlangt en daarmee van hen verwacht (nog) meer risico te nemen. Dit zou, gelet op de eerdere ervaringen van eisers en verzoekers bij pogingen om Ethiopië te bereiken, een onbegrijpelijke en inhumane eis zijn.
Overige beroepsgronden
6. Aangezien de rechtbank het beroep al gegrond heeft verklaard omdat verweerder niet heeft voldaan aan zijn samenwerkingsverplichting, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.
Het verzoek om proceskostenvergoeding van verzoekers
7. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. Verweerder is namelijk niet aan het beroep tegemoetgekomen, omdat er sprake is van veranderde omstandigheden.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eisers met inachtneming van deze uitspraak.
9. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,-. [9]
10. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding van verzoekers af.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van
€ 1.868,-;
- wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding van verzoekers af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.ECLI:EU:C:2019:192.
4.Specifiek rechtsoverwegingen 65 tot en met 68 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 maart 2019 en rechtsoverwegingen 12.1 tot en met 16 van de uitspraak van de zittingsplaats Zwolle van 19 maart 2025.
5.Zie rechtsoverwegingen 65 en 68.
6.Zie rechtsoverweging 67.
7.Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 maart 2019, met name rechtsoverwegingen 65 en 69.
8.Conclusie van Advocaat-Generaal N.Wahl bij het HvJ EU van 29 november 2018, ECLI:EU:C:2018:973, in het bijzonder overweging 58.
9.1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 934,- met een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 934,- met een wegingsfactor 1.