ECLI:NL:RBDHA:2026:15089
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming en terugkeerbesluit
Eiser, een Egyptische nationaliteit dragende derdelander die tijdelijk bescherming genoot in Nederland op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, betwistte de beëindiging van zijn verblijfsrecht per 4 maart 2024 en het daaropvolgende terugkeerbesluit van 4 augustus 2025. Hij stelde dat zijn tijdelijke bescherming verlengd was en dat het terugkeerbesluit onvoldoende rekening hield met het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Egypte.
De rechtbank oordeelde dat de brief van 4 maart 2024 geen besluit is waartegen beroep mogelijk is, omdat deze slechts mededeelde dat de tijdelijke bescherming van rechtswege eindigt. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Ten aanzien van het terugkeerbesluit stelde de rechtbank vast dat verweerder een voldoende actuele risicoafweging had gemaakt, mede omdat eiser zijn eerdere asielaanvraag had ingetrokken en geen concrete feiten had aangevoerd die een risico op schending van artikel 3 EVRM Pro aannemelijk maakten.
De rechtbank verwierp het beroep tegen het terugkeerbesluit als ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd eveneens niet-ontvankelijk verklaard omdat de uitspraak in het beroep was gedaan en er geen connexiteit meer bestond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van tijdelijke bescherming is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het terugkeerbesluit is ongegrond verklaard.