ECLI:NL:RBDHA:2026:15089

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
NL24.11299, NL25.41842 en NL25.41845
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8:57 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbRichtlijn 2001/55/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming en terugkeerbesluit

Eiser, een Egyptische nationaliteit dragende derdelander die tijdelijk bescherming genoot in Nederland op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, betwistte de beëindiging van zijn verblijfsrecht per 4 maart 2024 en het daaropvolgende terugkeerbesluit van 4 augustus 2025. Hij stelde dat zijn tijdelijke bescherming verlengd was en dat het terugkeerbesluit onvoldoende rekening hield met het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Egypte.

De rechtbank oordeelde dat de brief van 4 maart 2024 geen besluit is waartegen beroep mogelijk is, omdat deze slechts mededeelde dat de tijdelijke bescherming van rechtswege eindigt. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Ten aanzien van het terugkeerbesluit stelde de rechtbank vast dat verweerder een voldoende actuele risicoafweging had gemaakt, mede omdat eiser zijn eerdere asielaanvraag had ingetrokken en geen concrete feiten had aangevoerd die een risico op schending van artikel 3 EVRM Pro aannemelijk maakten.

De rechtbank verwierp het beroep tegen het terugkeerbesluit als ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd eveneens niet-ontvankelijk verklaard omdat de uitspraak in het beroep was gedaan en er geen connexiteit meer bestond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van tijdelijke bescherming is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het terugkeerbesluit is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.11299, NL25.41842 en NL25.41845
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de mededeling over de beëindiging van zijn recht op tijdelijke bescherming en het aan hem opgelegde terugkeerbesluit.
1.1.
Bij brief van 4 maart 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat het recht van eiser op tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 eindigt. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld (NL24.11299).
1.2.
Verweerder heeft met het besluit van 4 augustus 2025 aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat hij binnen vier weken Nederland moet verlaten. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld (NL25.41842).
1.3.
Verweerder heeft op 23 oktober 2025 een verweerschrift in de zaak betreffende het terugkeerbesluit (NL25.41842) en op 11 november 2025 een verweerschrift in de zaak betreffende de mededeling over het einde van het recht op tijdelijke bescherming (NL24.11299) ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten een zitting niet nodig te vinden en heeft gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting [1] .

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1999 en heeft de Egyptische nationaliteit. Eiser verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. [2] Op 28 juli 2022 heeft eiser een asielaanvraag ingediend in Nederland. Hij heeft deze aanvraag op 8 november 2024 ingetrokken.
2.1.
Met de brief van 4 maart 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van rechtswege eindigt per 4 maart 2024, nu niet langer facultatieve tijdelijke bescherming wordt verleend aan derdelanders die een tijdelijk verblijfsrecht hadden in Oekraïne. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.2.
Verweerder heeft met het besluit van 4 augustus 2025 aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd omdat hij niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.3.
Op 20 augustus 2025 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiser is het niet eens met de brief van 4 maart 2024 en met het besluit van 4 augustus 2025 en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser betoogt dat verweerder eisers recht op tijdelijke bescherming niet had mogen beëindigen per brief van 4 maart 2024, omdat eisers tijdelijke bescherming is verlengd. [3] Daarnaast volgt uit artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn [4] en het arrest Ararat [5] dat verweerder in het besluit van 4 augustus 2025 eisers risico op refoulement had moeten beoordelen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Het beroep met zaaknummer NL24.11299
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser tegen de mededeling in de brief van 4 maart 2024 niet-ontvankelijk is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de brief van 4 maart 2024 geen besluit [6] is waartegen beroep kan worden ingesteld. De rechtbank overweegt namelijk dat de brief van verweerder geen rechtsgevolgen heeft gecreëerd, omdat verweerder in de brief heeft medegedeeld dat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 januari 2024 [7] volgt dat de tijdelijke bescherming van eiser van rechtswege eindigt op 4 maart 2024.
Het beroep met zaaknummer NL25.41842
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser tegen het terugkeerbesluit van 4 augustus 2025 ongegrond is. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
6.1.
De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat verweerder niet verplicht was om te onderzoeken of eiser bij terugkeer naar Egypte in een situatie terechtkomt die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM [8] omdat eiser de asielprocedure niet heeft doorlopen. Uit het arrest Ararat volgt namelijk dat verweerder bij het opleggen van een terugkeerbesluit een geactualiseerde beoordeling moet verrichten van de risico’s die eiser bij terugkeer naar Egypte zou kunnen oplopen. De rechtbank is echter, anders dan eiser, van oordeel dat verweerder op basis van de voor verweerder beschikbare informatie eventuele risico’s voldoende heeft betrokken. Zo heeft eiser zijn asielaanvraag van 28 juli 2022 per brief van
8 november 2024 ingetrokken. Verder heeft verweerder mogen betrekken dat uit het dossier geen zwaarwegende en op feiten berustende omstandigheden als bedoeld in het arrest Ararat naar voren zijn gekomen. Eiser heeft in zijn zienswijze voorafgaand aan het bestreden besluit niet met stukken onderbouwd dat hij te vrezen heeft voor vervolging.
6.2.
Ook in hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat sprake is van een risico op een schending van artikel 3 van Pro het EVRM bij terugkeer naar Egypte. De informatie die eiser naar voren heeft gebracht biedt daarvoor onvoldoende concrete aanwijzingen. De beroepsprocedure gericht tegen het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit leent zich bovendien niet voor een volledig onderzoek naar de asielmotieven van eiser, met name nu hij zijn eerdere asielaanvraag heeft ingetrokken. Indien eiser meent dat hij te vrezen heeft voor vervolging of een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM, staat het hem vrij om (wederom) een asielaanvraag in te dienen. Gebleken is dat eiser dit op 20 augustus 2025 heeft gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep met zaaknummer NL24.11299 is niet-ontvankelijk.
8. Het beroep met zaaknummer NL25.41842 is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het terugkeerbesluit op goede gronden heeft opgelegd.
9. Het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL25.41845 wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [9] .
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep met zaaknummer NL24.11299 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep met zaaknummer NL25.41842 ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
3.Op grond van het Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/2409 van 19 oktober 2023 en het uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022.
4.Richtlijn 2008/115/EG.
5.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892 (arrest K, L, M, N).
6.In de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
8.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
9.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.