ECLI:NL:RBDHA:2026:15069
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep verblijfsvergunning
Verzoeker diende beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning. Op 31 maart 2026 nam de minister alsnog een besluit, waarna verzoeker zijn beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De minister gaf aan bereid te zijn de proceskosten te vergoeden. De rechtbank oordeelde dat de minister aan het beroep tegemoet was gekomen en dat toewijzing van het verzoek tot proceskostenvergoeding passend was.
Gezien de lichte aard van de zaak en het inschakelen van een professionele juridische hulpverlener, werd een vast bedrag van €467,- toegekend, gebaseerd op een wegingsfactor van 0,5. De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van dit bedrag.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van €467,- aan proceskosten aan verzoeker.