Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaken tussen
[eiser], v-nummer: [nummer 1], eiser
[naam minderjarige dochter], v-nummer [nummer 3]
Rechtbank Den Haag
Eisers hebben asielaanvragen ingediend op grond van vrees voor gedwongen lidmaatschap van een gewapende groep, besnijdenis en mensenhandel. De minister heeft deze aanvragen afgewezen, waarbij ook een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro en schrijnendheid werd geweigerd. De rechtbank heeft eerdere uitspraken gedaan waarin sommige beroepsgronden werden gegrond verklaard, maar in de huidige procedure bevestigt zij de afwijzing.
De rechtbank oordeelt dat de minister een zorgvuldigheidsgebrek heeft begaan door geen nieuw voornemen uit te brengen bij de laatste besluiten, maar dit gebrek wordt gepasseerd omdat eisers in beroep alsnog hun zienswijze konden geven. De inhoudelijke gronden voor afwijzing, waaronder het ontbreken van aannemelijk risico op besnijdenis en onvoldoende bijzondere omstandigheden voor schrijnendheid, worden bevestigd.
De belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro valt in het nadeel van eisers uit, mede vanwege sterkere banden met Nigeria dan met Nederland, ondanks het overlijden van hun zoon in Nederland. De rechtbank veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten aan eisers.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvragen en weigering van verblijfsvergunningen, met vergoeding van proceskosten aan eisers.