ECLI:NL:RBDHA:2026:15037

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
NL26.2465 en NL26.2466
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.6a Vb 2000Art. 3.119 Vb 2000Art. 6:22 AwbArt. 8 EVRMArt. 28 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvragen en weigering verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM en schrijnendheid

Eisers hebben asielaanvragen ingediend op grond van vrees voor gedwongen lidmaatschap van een gewapende groep, besnijdenis en mensenhandel. De minister heeft deze aanvragen afgewezen, waarbij ook een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro en schrijnendheid werd geweigerd. De rechtbank heeft eerdere uitspraken gedaan waarin sommige beroepsgronden werden gegrond verklaard, maar in de huidige procedure bevestigt zij de afwijzing.

De rechtbank oordeelt dat de minister een zorgvuldigheidsgebrek heeft begaan door geen nieuw voornemen uit te brengen bij de laatste besluiten, maar dit gebrek wordt gepasseerd omdat eisers in beroep alsnog hun zienswijze konden geven. De inhoudelijke gronden voor afwijzing, waaronder het ontbreken van aannemelijk risico op besnijdenis en onvoldoende bijzondere omstandigheden voor schrijnendheid, worden bevestigd.

De belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro valt in het nadeel van eisers uit, mede vanwege sterkere banden met Nigeria dan met Nederland, ondanks het overlijden van hun zoon in Nederland. De rechtbank veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten aan eisers.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvragen en weigering van verblijfsvergunningen, met vergoeding van proceskosten aan eisers.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.2465 en NL26.2466

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaken tussen

[eiser], v-nummer: [nummer 1], eiser

[eiseres], v-nummer [nummer 2], eiseres
mede namens hun minderjarige dochter
[naam minderjarige dochter], v-nummer [nummer 3]
eisers
(gemachtigde: mr. A.C. Pool),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen in stand kan blijven. Verder kon de minister eisers een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM weigeren, nu hij de belangenafweging in hun nadeel mocht laten uitvallen. Daarnaast heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om aan eisers een verblijfsvergunning op grond van schrijnendheid te verlenen. De rechtbank is wel van oordeel dat sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek, omdat de minister geen nieuw voornemen heeft uitgebracht. Dit gebrek zal de rechtbank echter passeren. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 20 december 2025 deze aanvragen afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Verloop van de asielprocedure
3. Eisers hebben op 9 september 2021 asiel aangevraagd. Eisers hebben aan deze aanvragen ten grondslag gelegd dat eiser gedwongen lid is geworden van de Niger Delta Avengers (NDA) en door hen vastgehouden en bedreigd is. Daardoor vreest eiser bij terugkeer voor de NDA. Eiseres heeft Nigeria verlaten vanwege de vrees voor besnijdenis. In Italië heeft zij gedwongen in de prostitutie gewerkt en zij vreest nog voor haar toenmalige ‘werkgever.’ Daarnaast vrezen eisers beide voor besnijdenis van hun dochter. De minister heeft deze aanvragen afgewezen, omdat niet aannemelijk is dat eiser nog problemen krijgt met de NDA en hij een vestigingsalternatief heeft. Eiseres en haar dochter lopen volgens de minister geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer vanwege de vrees voor besnijdenis. Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft de beroepen van eisers tegen deze besluiten gegrond verklaard, omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres en haar dochter geen reëel risico op besnijdenis lopen. [1]
3.1.
Na deze uitspraak hebben eisers op 1 oktober 2023 een zoon gekregen. Hij is op 9 oktober 2023 komen te overlijden en hij ligt in Nederland begraven. Om deze reden hebben eisers aangevoerd dat het onmenselijk is om hen de mogelijkheid te ontnemen om zijn graf te bezoeken. De minister heeft op 29 november 2023 opnieuw besluiten genomen, waarbij hij de asielaanvragen wederom heeft afgewezen. Daarbij heeft de minister opnieuw gesteld dat eiseres en haar dochter geen reëel risico op besnijdenis lopen. Verder is aan eisers geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens bijzondere individuele omstandigheden verstrekt. De beroepen tegen deze besluiten zijn gegrond verklaard. [2] Daarbij heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, geoordeeld dat eisers de vrees voor besnijdenis van eiseres en haar dochter niet aannemelijk hebben gemaakt. Ook is niet aannemelijk dat eiseres nog heeft te vrezen voor haar ‘werkgever’ waar zij in Italië gedwongen voor heeft gewerkt. Daarmee slagen de beroepsgronden tegen de weigering van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet. De minister had echter naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom aan eisers geen reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend.
3.2.
Na deze uitspraak zijn eisers aanvullend gehoord. Vervolgens heeft de minister, zonder eerst voornemens uit te brengen, op 20 december 2025 de asielaanvragen opnieuw afgewezen, omdat de vrees voor besnijdenis niet aannemelijk is gemaakt. Verder is aan eisers geen reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM verleend. De minister stelt zich daarbij op het standpunt dat wel sprake is van familie- en privéleven in Nederland, maar de belangenafweging valt in het nadeel van eisers uit. Ook heeft de minister geen reguliere verblijfsvergunning op grond van schrijnendheid verleend. [3] Verder heeft de minister, in afwachting van de ambtshalve beoordeling voor toepassing van artikel 64 van Pro de Vw 2000, aan eisers voorlopig uitstel van vertrek verleend. De besluiten van 20 december 2025 liggen nu ter toetsing aan de rechtbank voor.
Had de minister een voornemen uit moeten brengen?
4. Eisers betogen dat de minister op grond van artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) gehouden was om een nieuw voornemen uit te brengen. De minister heeft namelijk nieuwe standpunten ingenomen als het gaat om de beoordeling van de reguliere verblijfsgronden. Door geen voornemen uit te brengen, is sprake van een onzorgvuldige procedure en zijn eisers in hun belangen geschaad. Zij hadden na een voornemen bijvoorbeeld verklaringen van hun vrienden in Nederland kunnen verzamelen en overleggen waarmee de intensiteit en de wijze van invulling van deze vriendschappen kunnen worden onderbouwd.
4.1.
De gemachtigde van de minister heeft tijdens de zitting betoogd dat hij geen voornemen had hoeven uitbrengen. Daarbij heeft de minister voorop gesteld dat eisers niet zijn overvallen door nieuwe feiten of een nieuwe weging, waardoor het standpunt niet nieuw was. Daarnaast was de opdracht van de rechtbank in de uitspraak van 28 juli 2025 dat de minister opnieuw een besluit moest nemen en daarin de motivering in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM en de schrijnendheid. Daarbij is niet geoordeeld dat een nieuw voornemen uitgebracht moest worden. Verder heeft de minister, gelet op de al lange procedure, gekozen voor een efficiëntere oplossing waarbij eisers sneller duidelijkheid zouden krijgen.
4.2.
Deze beroepsgrond slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank had de minister, gelet op artikel 3.119 van het Vb 2000, wel eerst een voornemen uit moeten brengen. Uit dit artikel blijkt dat aan de vreemdeling de gelegenheid wordt gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen als na het eerdere voornemen feiten of omstandigheden anders worden beoordeeld of gewogen en de minister voornemens blijft de aanvraag af te wijzen. Dat is hier het geval. Hoewel de minister terecht opmerkt dat de feiten an sich bekend waren, heeft hij over deze feiten voor het eerst in het bestreden besluit een standpunt in genomen en daaraan een weging gegeven. Het had daarom op zijn weg gelegen om eisers, voor het nemen van een definitief besluit, in de gelegenheid te stellen om hun zienswijze te geven op dit standpunt. Om deze reden bevat het besluit een zorgvuldigheidsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding dit gebrek te passeren op grond van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Eisers hebben namelijk in beroep de gelegenheid gehad om tegen het besluit in te brengen wat zij anders bij de zienswijze hadden ingebracht. Van deze mogelijkheid hebben zij ook gebruik gemaakt door verklaringen van vrienden in te brengen. Daarom zijn eisers niet in hun belangen geschaad.
Had de minister aan eisers een asielvergunning moeten verlenen?
5. Eisers hebben in de gronden van beroep betoogd dat eiseres en haar dochter behoren tot een sociale groep vanwege de vrees voor besnijdenis. Deze beroepsgrond is tijdens de zitting ingetrokken. De rechtbank zal hier daarom geen oordeel over geven.
6. Eisers betogen dat de minister met betrekking tot het risico op besnijdenis van hun dochter onvoldoende is ingegaan op de psychische en lichamelijke problematiek van eisers. Daardoor zijn eisers minder dan de gemiddelde ouders in staat om hun dochter te bescherming bij terugkeer naar Nigeria. Op deze grond is de rechtbank in haar uitspraak van 28 juli 2025 niet ingegaan. Eisers betogen verder dat de minister een onjuiste risicoanalyse heeft uitgevoerd ten aanzien van de vrees voor de mensenhandelaar. Hierbij wijzen eisers op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 7 mei 2025. [4] Ook in de eerdere besluiten ontbreekt deze risicoanalyse, waardoor de minister niet kan verwijzen naar de eerdere besluiten en uitspraken in de procedure.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, al eerder een oordeel heeft gegeven over de vrees voor besnijdenis van eiseres en haar dochter. De rechtbank heeft in de uitspraak van 28 juli 2025 geoordeeld dat de vrees voor besnijdenis niet aannemelijk is gemaakt. Daarbij is van belang geacht dat uit het algemeen ambtsbericht over Nigeria van 2023 niet blijkt dat iedere vrouw bij terugkeer naar Nigeria onderworpen wordt aan vrouwenbesnijdenis. Daarnaast geven de individuele omstandigheden van eisers ook onvoldoende aanleiding om de vrees voor besnijdenis aannemelijk te achten. Hierbij heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat als de vader van eiseres veel invloed heeft, zoals zij stelt, niet verklaarbaar is dat zij niet eerder besneden is en waarom zij bij terugkeer alsnog besneden zal worden. Daarbij weegt mee dat eiseres getrouwd is met een man die tegen besnijdenis is. Met betrekking tot de vrees voor besnijdenis van de dochter van eisers heeft de minister ook terecht gesteld dat deze vrees niet aannemelijk is, omdat uit het ambtsbericht 2023 blijkt dat de vader de belangrijkste persoon is voor de beslissing of een meisje wordt besneden. Eiser is tegen besnijdenis en eiseres is, ondanks sociale druk, niet besneden. In dat licht is de vrees niet aannemelijk gemaakt. De door eisers aangehaalde sociale druk en kwetsbaarheid, is onvoldoende voor een ander oordeel.
Met betrekking tot de vrees van eiseres voor de mensenhandelaar heeft de rechtbank in de uitspraak van 28 juli 2025 geoordeeld dat zij deze vrees niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij is overwogen dat eiseres in of rond 2015 de mensenhandelaar ontvlucht is en daarna nog zes jaar op relatief korte afstand van de mensenhandelaar heeft gewoond, zonder dat eiseres is opgespoord.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank verwijst naar dat wat door de rechtbank bij uitspraak van 28 juli 2025 is overwogen en in rechte vast staat (zoals omschreven onder 6.1). Anders dan eisers stellen, is de rechtbank met betrekking tot de vrees voor besnijdenis ook ingegaan op de individuele omstandigheden van eisers.
Had de minister aan eisers een reguliere vergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM moeten verlenen?
7. Eisers betogen dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de belangenafweging in het nadeel van eisers uitvalt. Daarbij hebben eisers verschillende argumenten naar voren gebracht. Deze zal de rechtbank hieronder bespreken.
Economische belangen
7.1.
Eisers hebben in de schriftelijke gronden betoogd dat aan eiseres niet kan worden tegengeworpen dat zij niet heeft gewerkt en dat haar situatie niet los kan worden gezien van die van haar man. Dit argument hebben eisers tijdens de zitting laten vallen. Dit argument behoeft dan ook geen bespreking meer.
Eisers betogen dat de minister aan eiser ten onrechte tegenwerpt dat hij in Nigeria heeft geleerd voor meubelmaker, en dat beroep dus in Nigeria zou kunnen uitoefenen. Echter heeft eiser zelf verklaard dat het niet mogelijk is om weer te werken in Nigeria. Verder is het een gegeven dat eiser in Nederland werkt. Dit dient in zijn voordeel te worden meegewogen. Eiser heeft namelijk aangetoond dat hij bereid en in staat is om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien.
7.2.
De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat het economisch belang niet in het voordeel van eisers uitvalt. Hoewel in het voordeel van eisers meeweegt dat eiser werkt en daarmee een economische bijdrage levert aan de economie, ziet het economisch belang ook op bescherming van de arbeidsmarkt en de door de overheid betaalde voorzieningen zoals de gezondheidszorg en infrastructuur. Om deze reden weegt het economisch belang wél in het nadeel van eisers, maar niet zwaar in het nadeel. [5] Verder heeft de gemachtigde van de minister tijdens de zitting toegelicht dat het standpunt met betrekking tot het kunnen werken in Nigeria, niet relevant is in het kader van het economisch belang, maar in het kader van de banden met Nigeria.
Banden met Nederland tegenover banden met Nigeria
7.3.
Eisers betogen dat zij een sterkere band hebben met Nederland gelet op hun bijzondere en schrijnende omstandigheden. Eisers hebben nare gebeurtenissen meegemaakt in Nigeria en zijn daardoor weggevlucht. Zij hebben hun gezinsleven pas opgestart in Europa en geïntensiveerd in Nederland. Hier hebben zij steun ontvangen van medische behandelaren en goede vrienden. Deze steun kunnen zij in Nigeria niet ontvangen, omdat zij slechts minimaal contact hebben met familieleden daar. Ook de steun van vrienden hier in Nederland, kan niet op afstand worden voortgezet. Het is voor eisers van belang dat zij het graf van hun overleden zoon kunnen blijven bezoeken en dat is feitelijk niet mogelijk vanuit Nigeria. Het valt daarom niet in te zien waarom de minister ondanks deze omstandigheden toch een sterkere band met Nigeria zouden hebben. Daarvoor is volgens eisers onvoldoende dat zij lange tijd in Nigeria hebben gewoond en daarbij komt dat zij ook al langere tijd, vanwege de lange procedure, in Nederland wonen. Eisers wijzen in dat kader op het arrest B.A.C. tegen Griekenland. [6] Ter onderbouwing van de banden met hun vrienden, hebben eisers twee verklaringen overgelegd om aan te geven hoe intensief de vriendschappen zijn.
7.4.
De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de band van eisers met Nigeria sterker is dan de band met Nederland. Eisers zijn in 2021 naar Nederland gekomen, zij waren toen 29 en 31 jaar oud en hebben dus langere tijd in Nigeria gewoond. Zij hebben in Nigeria ook gewerkt. Daarnaast heeft de minister erop gewezen dat eisers beide nog een zoon (van een andere partner) in Nigeria hebben wonen en ook andere familieleden. Daartegenover staat dat eisers slechts vijf jaar in Nederland wonen, de taal niet spreken, en zij, behalve elkaar en hun dochter, geen andere familieleden in Nederland hebben. Hoewel is gebleken dat eisers sociale contacten hebben opgebouwd in Nederland, is niet gebleken dat sprake is van bijzonder sterke sociale banden. Daarbij heeft de minister ook meegewogen dat eisers in Nederland een kind hebben verloren. Hoewel de rechtbank begrijpt dat deze ingrijpende gebeurtenis impact op eisers heeft, mocht de minister zich desondanks op het standpunt stellen dat de banden met Nigeria sterker zijn dan die met Nederland. De verwijzing van eisers naar het arrest B.A.C. tegen Griekenland slaagt niet. Uit dat arrest blijkt namelijk dat artikel 8 van Pro het EVRM niet zover strekt dat het de aanvrager recht geeft op een bepaald type verblijfsvergunning, maar de nationale autoriteiten dienen de aanvrager in staat te stellen ongehinderd zijn of haar recht op familie- en privéleven uit te oefenen. [7] De minister heeft terecht gesteld dat eisers dat ook kunnen.
Belang van het kind
7.5.
Eisers betogen dat het niet in belang van hun dochter is om terug te keren naar Nigeria. Dit zal een grote impact hebben op haar mentale welzijn en de ontwikkeling en opvoeding. De dochter van eisers zal in Nigeria namelijk opgroeien in een land dat zij niet kent, met ouders die zich in een zeer instabiele situatie bevinden. Deze belangen zijn niet in het besluit betrokken. De minister heeft enkel gesteld dat vanwege de jeugdige leeftijd van de dochter geen sprake is van ‘bijzondere worteling.’
7.6.
De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat niet gebleken is dat er voor de dochter van eisers een aantoonbaar hoog risico op ernstige ontwikkelingsschade is als gevolg van vertrek uit Nederland. De banden die zij in Nederland heeft, zijn normale banden die het leven in Nederland met zich meebrengt, maar hieruit blijkt geen bijzondere binding met Nederland. Hoewel de dochter van eisers nooit in Nigeria is geweest, is het in haar belang om bij haar ouders te blijven. Daarbij komt dat eisers haar opvoeden in haar eigen taal. Van de dochter van eisers kan daarom verwacht worden dat zij zich kan aanpassen aan het leven in Nigeria.
Conclusie
7.7.
Gelet op voorgaande heeft de minister alle relevante omstandigheden in het kader van de belangenafweging betrokken en naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze belangenafweging niet in het voordeel van eisers uitvalt.
Had de minister aan eisers een reguliere vergunning op grond van schrijnendheid moeten verlenen?
8. Eisers betogen dat aan hen een reguliere vergunning op grond van schrijnendheid verleend had moeten worden. Daarbij is van belang dat het zoontje van eisers in Nederland begraven ligt en zij zijn graf regelmatig bezoeken. Als zij Nederland moeten verlaten, bestaat voor hen geen mogelijkheid om het graf te bezoeken. Vanuit Nigeria zijn er namelijk veel belemmeringen waardoor eisers niet in Nederland kunnen komen. Een visum wordt normaliter afgewezen. Daarbij komt dat een visum en een vliegticket veel geld kosten, waardoor dit geen haalbare mogelijkheid is voor eisers. De minister heeft in het besluit onvoldoende gemotiveerd waarom aan eisers geen vergunning op grond van schrijnendheid verleend wordt, terwijl dit volgens de Afdeling wel inhoudelijk beoordeeld dient te worden. [8] Door enkel te noemen dat het zoontje van eisers in Nederland is overleden, is onvoldoende gemotiveerd waarom dit overlijden niet wordt gezien als voldoende schrijnend.
8.1.
De minister heeft aan eisers geen reguliere vergunning op grond van schrijnendheid hoeven verlenen. De minister stelt zich daarbij terecht op het standpunt dat voor het verlenen van een vergunning op basis van schrijnendheid, sprake moet zijn van een samenstel van omstandigheden. In geval van eisers is sprake van één bijzondere individuele omstandigheid, namelijk het overlijden van hun zoontje, maar is geen sprake van meerdere omstandigheden. De minister heeft namelijk terecht gesteld dat de medische situatie van eisers niet kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheid. Hoewel ernstige medische problematiek aangemerkt kán worden als bijzondere omstandigheid, hebben eisers hun medische problemen niet onderbouwd. Daardoor heeft de minister hierin geen bijzondere omstandigheid hoeven zien. Daarnaast hebben eisers niet langdurig rechtmatig in Nederland verbleven, waardoor dit ook geen bijzondere omstandigheid is. Om deze reden heeft de minister geen aanleiding gezien om een vergunning op basis van schrijnendheid te verlenen.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepen van eisers zijn ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvragen in stand kan blijven. Gelet op het gebrek dat is geconstateerd onder 4.2 moet de minister echter wel de proceskosten van eisers vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in twee samenhangende zaken, met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag, zp. Haarlem, 12 juli 2023, zaaknummers: NL22.15902 en NL22.15903 (
2.Rb. Den Haag, zp. Rotterdam, 28 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13890.
3.Artikel 3.6a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
4.ABRvS 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1996.
5.Daarbij heeft de gemachtigde van de minister tijdens de zitting gewezen op WI 2026/3, p. 14.
6.EHRM 13 oktober 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1013JUD001198115 (
7.Zie ook ABRvS 17 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1060.
8.ABRvS, 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4130.