Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] , eiseres 1
[naam 2] , eiseres 2,
de minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
In geschil is uitsluitend de vraag of de minister gehouden is de kosten voor het door eisers 1 en eiseres 2 geïnitieerde DNA-onderzoek te vergoeden.
Eiseres 1 verzoekt om vergoeding van de kosten voor het DNA-onderzoek en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Zij stelt dat de minister de kosten moet vergoeden omdat reeds in bezwaar, maar ook in beroep is gewezen op de noodzaak van het onderzoek en nu blijkt dat de uitkomst ervan voor de minister reden is om het bestreden besluit in te trekken. Eiseres 1 leidt uit de intrekking van het bestreden besluit af dat het besluit onrechtmatig was. Gelet op het aanbod van de minister om de kosten voor verleende rechtsbijstand te vergoeden meent de minister kennelijk dat sprake is van een tegemoetkoming en dat het beroep kan worden ingetrokken. Eiseres 1 meent dat zij in dat geval recht heeft op vergoeding van alle kosten, waaronder de kosten van het DNA-onderzoek (à € 995,-) dat zij heeft laten verrichten.
De minister heeft ter zitting bevestigd dat het bestreden besluit is ingetrokken omdat het DNA-onderzoek heeft uitgewezen dat eiseres 1 en referent werkelijk familie van elkaar zijn (moeder en zoon). Het standpunt in het bestreden besluit dat tussen hen de familierechtelijke relatie niet aannemelijk is gemaakt, is dan ook niet langer houdbaar. De minister is evenwel van mening dat de kosten van het DNA-onderzoek niet vergoed hoeven te worden. In het bestreden besluit is uiteengezet dat er gelet op de tegenstrijdigheden en de niet onderbouwde gestelde psychische problemen van eiseres 1 geen nader onderzoek is aangeboden. Deze reden blijft wat de minister betreft staan en de kosten van het DNA-onderzoek zijn dan ook geen proceskosten. Gelet op de uitslag van het DNA-onderzoek is het bestreden besluit ingetrokken en zal er opnieuw worden beslist, maar dat maakt niet dat het bestreden besluit onrechtmatig was.
Vervolgens overweegt de rechtbank dat een veroordeling in de proceskosten een bevoegdheid van de rechtbank is en geen verplichting. Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dient een verzoek om proceskosten in beginsel te worden ingewilligd op grond van de enkele tegemoetkoming. [2] Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt als het bestuursorgaan, zonder dat tot een beoordeling van de zaak ten gronde hoeft te worden gekomen, aantoont dat van verwijtbare onrechtmatigheid van het in bezwaar bestreden primaire besluit geen sprake is en indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit kan het geval zijn als de noodzaak beroep in te stellen was te wijten aan de handelwijze van de betrokkene zelf, doordat een verkeerd besluit is genomen omdat betrokkene zelf onjuiste informatie heeft verstrekt dan wel dit niet of te laat heeft gedaan. [3]
De rechtbank begrijpt dat de minister heeft bedoeld te betogen dat in dit geval geen sprake is van een aan hem verwijtbaar onrechtmatig (primair) besluit. De rechtbank volgt de minister hierin. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang. Niet in geschil is dat sprake is van zeer tegenstrijdige verklaringen en dat de gestelde psychische problemen van eiseres 1 niet zijn onderbouwd. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat dit een contra-indicatie was om DNA-onderzoek aan te bieden. Eiseres 1 en eiseres 2 hebben in bezwaar gesteld dat het noodzakelijk is dat de minister DNA-onderzoek laat verrichten. De minister heeft dat niet gedaan, gelet op onder meer de eerder aangehaalde contra-indicatie. De minister heeft daarmee niet in strijd gehandeld met de Werkinstructie 2025/5, waarin immers ook is bepaald dat DNA-onderzoek kan (facultatief) worden aangeboden.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiseres 1 moet vergoeden tot een bedrag van € 1.868,-;
- wijst voor al het overige het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.