ECLI:NL:RBDHA:2026:14944
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel en schadeverzoek in vreemdelingenrecht
Eiser werd op 13 mei 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel werd door verweerder op 23 mei 2026 opgeheven. Eiser stelde beroep in tegen het besluit en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank behandelde het beroep op 2 juni 2026, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen. De kernvraag was of de tenuitvoerlegging van de maatregel voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was geweest, hetgeen schadevergoeding zou rechtvaardigen.
De rechtbank overwoog dat verweerder een redelijke termijn moest krijgen om onderzoek te doen naar het asielverzoek en dat het niet verplicht was om voorafgaand aan oplegging van de maatregel een toets te doen op de inwilligbaarheid van het verzoek. Er waren geen bijzondere medische omstandigheden of andere feiten die een eerdere opheffing van de maatregel rechtvaardigden.
De rechtbank concludeerde dat de vrijheidsontnemende maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep en het schadeverzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.