Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14941

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
2609015 en 2609016
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.E. Povel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287b lid 1 FwArt. 287b lid 4 FwArt. 287b lid 6 FwArt. 305 lid 2 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium ter voorkoming woningontruiming en voortzetting minnelijk traject

Verzoeker huurt een woning van verweerster, Stichting Staedion, die de ontruiming van de woning wilde uitvoeren op 13 april 2026. Verzoeker heeft de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 Faillissementswet, waarmee de ontruiming voor zes maanden wordt verboden. Dit om hem de gelegenheid te geven het minnelijk traject af te ronden en een buitengerechtelijke schuldregeling met schuldeisers te treffen.

De rechtbank constateert dat sprake is van een bedreigende situatie door de aangekondigde ontruiming en dat verzoeker reeds een minnelijk traject is gestart met hulp van de gemeente Den Haag. Hoewel de huur voor april 2026 slechts gedeeltelijk is voldaan, acht de rechtbank het aannemelijk dat met de aangevraagde bijstandsuitkering en budgetbeheer de huurbetalingen op korte termijn gewaarborgd zijn.

De belangenafweging leidt tot de conclusie dat de belangen van verzoeker om woonruimte te behouden zwaarder wegen dan het belang van verweerster bij betaling van de huur. De voorziening wordt daarom toegewezen voor zes maanden, met de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen worden voldaan en dat de schuldhulpverlener uiterlijk vier weken voor het einde van de voorziening verslag uitbrengt aan de rechtbank. De voorziening geldt totdat het WSNP-verzoek is afgehandeld of ingetrokken.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en verbiedt de ontruiming van de woning voor zes maanden.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANKDEN HAAG
Team Toezicht
rekestnummers: NL:TZ:2609015:R-RK en NL:TZ:2609016:R-RK
vonnis op grond van artikel 287b lid 1 van de Faillissementswet van 29 april 2026
[verzoeker],
wonende te ‘s-Gravenhage,
hierna: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. H.P. Schouten van JAW advocaten,
tegen
de stichting
Stichting Staedion,
gevestigd en kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,
hierna: verweerster,
gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders.
Waar deze zaak over gaat
Op [datum] 2026 wilde verweerster de woning van [verzoeker] ontruimen. Hierdoor is voor [verzoeker] een bedreigende situatie ontstaan. [verzoeker] heeft de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening uit te spreken, waarbij de ontruiming voor zes maanden wordt verboden. [verzoeker] is daardoor in de gelegenheid om het minnelijk traject af te ronden. De rechtbank wijst het verzoek toe en legt hierna uit waarom zij zo beslist. Eerst volgt informatie over het verloop van de procedure tot nu toe.

1.De procedure

1.1.
Op 9 april 2026 heeft [verzoeker] gevraagd om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287b lid 1 van de Faillissementswet (Fw). Daarbij heeft [verzoeker] ook een WSNP-verzoek ingediend.
1.2.
Het verzoek houdt in dat verweerster wordt verboden om de woning aan het adres [adres] te ontruimen. [verzoeker] huurt deze woning van verweerster. De ontruiming stond gepland op 13 april 2026 vanaf 08.00 uur.
1.3.
De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 9 april 2026 verweerster verboden de woning te ontruimen totdat op het verzoek van [verzoeker] een eindbeslissing is genomen.
1.4.
Het verzoek tot het afgeven van de voorlopige voorziening is behandeld op de zitting van 23 april 2026. Op deze zitting zijn verschenen:
- [verzoeker] , bijgestaan door mr. J.A. Pearson.
1.5.
De gemachtigde van verweerster is opgeroepen voor de zitting, maar is niet verschenen. Wel is namens verweerster schriftelijk - samengevat - het volgende verweer gevoerd. Sinds het vonnis van 9 december 2025 waarbij de ontruiming werd uitgesproken zijn er vijf huurtermijnen van € 532,15 vervallen. Er is slechts een bedrag van € 440,00 betaald op 13 april 2026. Nu [verzoeker] er niet in is geslaagd om de termijn van april 2026 volledig te voldoen, betwijfelt verweerster of de financiële situatie van [verzoeker] stabiel genoeg is om de lopende huurtermijnen te voldoen. Daarnaast heeft de gemeente vanaf december 2025 diverse tevergeefse pogingen gedaan om in contact te komen met [verzoeker] . Gelet hierop, heeft verweerster er geen vertrouwen in dat [verzoeker] zich aan de gemaakte afspraken zal houden. Tot slot merkt verweerster op dat [verzoeker] een studentenwoning huurt, maar dat verweerster tot op heden niet het daarvoor vereiste bewijs van inschrijving heeft ontvangen van [verzoeker] .

2.De beoordeling

Het doel van de voorlopige voorziening

2.1.
Bij een gedwongen ontruiming is sprake van een bedreigende situatie. De wet biedt in die gevallen de mogelijkheid om die bedreiging tijdelijk op te schorten, zodat [verzoeker] in staat is het minnelijk traject voort te zetten. Hij kan dan met zijn schuldeisers een regeling voor zijn schulden proberen te bereiken en wordt in die periode dan niet gehinderd door (executie)maatregelen. Voorwaarde is wel dat is gestart met het minnelijk traject.
Is sprake van een bedreigende situatie?
2.2.
De rechtbank stelt vast dat in dit geval sprake is van een bedreigende situatie. De woningontruiming is aangezegd tegen 13 april 2026.
Is sprake van een schuldhulpverleningstraject?
2.3.
Met het minnelijk traject is een start gemaakt. Met behulp van de schuldhulpverlening van de gemeente Den Haag onderzoekt [verzoeker] momenteel of het mogelijk is om zijn schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling aan te bieden. De gemeente heeft [verzoeker] in dit verband om aanvullende stukken verzocht die reeds door hem zijn ingediend.
Worden de lopende termijnen betaald?
2.4.
Om het verzoek tot een voorlopige voorziening te kunnen toewijzen, is nodig dat de lopende huurtermijnen op tijd worden voldaan. Dat volgt uit de wet (artikel 287b lid 4 Fw jo. artikel 305 lid 2 Fw Pro).
2.5.
Op de zitting is gebleken dat de huur voor de maand april slechts gedeeltelijk is voldaan. Hierdoor zijn de zorgen van verweerster over de tijdige voldoening van de lopende huurtermijnen begrijpelijk. Uit de omstandigheid dat [verzoeker] inmiddels hulp heeft gezocht bij de gemeente voor het oplossen zijn schulden, er zal worden voorzien in budgetbeheer vanuit de gemeente en met spoed een bijstandsuitkering alsmede een voorschotbetaling is aangevraagd, maakt de rechtbank op dat op er op dit moment alles aan wordt gedaan om te zorgen dat [verzoeker] op korte termijn geld ontvangt om zijn maandelijkse huur te kunnen voldoen. Na toekenning van deze uitkering en de start van het budgetbeheer is de voldoening van de maandelijkse huur gewaarborgd.
Belangenafweging
2.6.
Nu is voldaan aan de voorwaarden waaronder het verzoek om een voorlopige voorziening kan worden toegewezen, dient een belangenafweging plaats te vinden tussen de belangen van [verzoeker] en die van verweerster.
2.7.
De rechtbank is van oordeel dat de belangen van [verzoeker] in dit geval zwaarder wegen dan de belangen van verweerster. De belangen van [verzoeker] bij het kunnen beschikken over woonruimte spreken voor zich. Ook het belang van verweerster om haar vordering betaald te krijgen en niet verder te laten oplopen, spreekt voor zich. Dit belang wordt door toewijzing van het verzoek echter niet geschaad: met (het voorschot op) de bijstandsuitkering en verdere begeleiding vanuit de gemeente Den Haag is voldoende gegarandeerd dat de vordering van verweerster niet verder oploopt. Daar komt bij dat ook verweerster gebaat is bij een geslaagde minnelijke regeling en die is alleen mogelijk in (voldoende) stabiele, niet bedreigende omstandigheden.
2.8.
De rechtbank zal daarom het verzoek toewijzen. Daarmee wordt [verzoeker] de gelegenheid geboden om het minnelijk traject voort te zetten met als doel om met zijn schuldeisers, waaronder de verhuurder, een regeling voor de schulden te bereiken en/of het minnelijk traject af te ronden.
2.9.
[verzoeker] heeft ook een WSNP-verzoek ingediend. Op het WSNP-verzoek kan nog niet worden beslist, omdat het minnelijk traject nog niet is afgerond. De wet schrijft voor dat de schuldhulpverlener uiterlijk vier weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt aan de rechtbank (artikel 287b lid 6 Fw). Na ontvangst van dit verslag en een compleet WSNP-verzoek zal de behandeling van dat verzoek worden ingepland.

3.De beslissing

De rechtbank:
  • verbiedt Stichting Staedion tot ontruiming van de woning van [verzoeker] op het adres [adres] over te gaan;
  • bepaalt dat deze voorziening slechts geldt onder de voorwaarde dat
  • bepaalt dat deze voorziening geldt totdat de uitspraak op het WSNP-verzoek in kracht van gewijsde is gegaan of dit verzoek is ingetrokken;
- bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt na verloop van
zes maanden,gerekend vanaf
9 april 2026;
- bepaalt dat uiterlijk vier weken voor voornoemde datum door de schuldhulpverlener verslag zal worden uitgebracht als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw.
Dit is een beslissing van mr. W.E. Povel, rechter, in samenwerking met N.A. Kruiskamp, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op donderdag 29 april 2026.