Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14938

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
2607176 en 2607182
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • W.E. Povel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287b lid 1 FwArt. 287b lid 4 FwArt. 287b lid 6 FwArt. 305 lid 2 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium ter voorkoming woningontruiming tijdens minnelijk traject

De heer heeft op 20 maart 2026 een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 Faillissementswet, met het doel een geplande woningontruiming op 23 maart 2026 te verbieden. De ontruiming zou een bedreigende situatie veroorzaken en de heer wilde het minnelijk traject voortzetten om met schuldeisers een regeling te treffen.

De rechtbank stelde vast dat sprake was van een bedreigende situatie en dat de heer een schuldhulpverleningstraject was gestart met Noordzij Insolventie B.V. De lopende huurtermijnen werden inmiddels voldaan, mede dankzij hulpverlening van de gemeente Den Haag en garanties van het fonds Bijzondere Noden. Hierdoor was voldoende gewaarborgd dat de huurbetalingen tijdig zouden plaatsvinden.

In de belangenafweging woog de rechtbank het belang van de heer om woonruimte te behouden zwaarder dan het belang van de verhuurder om de vordering betaald te krijgen, mede omdat de verhuurder gebaat is bij een geslaagde minnelijke regeling. Het verweer dat de heer te laat was met het nakomen van verplichtingen werd verworpen vanwege zijn beschermingsbewind en de getroffen betalingsregelingen.

De rechtbank besloot het verzoek toe te wijzen en legde een moratorium van zes maanden op, waarin de ontruiming verboden is en de lopende huurtermijnen worden voldaan. Dit moratorium geldt totdat het WSNP-verzoek is afgehandeld of ingetrokken. De schuldhulpverlener moet uiterlijk vier weken voor het einde van de voorziening verslag uitbrengen aan de rechtbank.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot voorlopige voorziening toe en legt een moratorium van zes maanden op dat de ontruiming van de woning verbiedt.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANKDEN HAAG
Team Toezicht
rekestnummers: NL:TZ:2607176:R-RK & NL:TZ:2607182:R-RK
vonnis op grond van artikel 287b lid 1 van de Faillissementswet van 16 april 2026
[naam 1] .
wonende te [woonplaats] ,
hierna: de heer [naam 1] ,
gemachtigde: de heer M.A.T. Noordzij van Noordzij Insolventies,
tegen
de stichting
Stichting Staedion,
gevestigd en kantoorhoudende te ‘s-Gravenhage,
hierna: verweerster,
gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders.
Waar deze zaak over gaat
Op maandag 23 maart 2026 wilde verweerster de woning van de heer [naam 1] ontruimen. Hierdoor is voor de heer [naam 1] een bedreigende situatie ontstaan. De heer [naam 1] heeft de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening uit te spreken, waarbij de ontruiming voor zes maanden wordt verboden. De heer [naam 1] is daardoor in de gelegenheid om het minnelijk traject af te ronden. De rechtbank wijst het verzoek toe en legt hierna uit waarom zij zo beslist. Eerst volgt informatie over het verloop van de procedure tot nu toe.

1.De procedure

1.1.
Op 20 maart 2026 heeft de heer [naam 1] gevraagd om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287b lid 1 van de Faillissementswet (Fw). Daarbij heeft de heer [naam 1] ook een WSNP-verzoek ingediend.
1.2.
Het verzoek houdt in dat verweerster wordt verboden om de woning aan het adres
[adres] te ontruimen. De heer [naam 1] huurt deze woning van verweerster. De ontruiming stond gepland op 23 maart 2026 vanaf 08:00 uur.
1.3.
De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 20 maart 2026 verweerster verboden
de woning te ontruimen totdat op het verzoek van de heer [naam 1] een eindbeslissing is genomen.
1.4.
Het verzoek tot het afgeven van de voorlopige voorziening is behandeld op de zitting van 15 april 2026. Op deze zitting zijn verschenen:
- de heer [naam 1] ,
- de heer Noordzij, van Noordzij Insolventies,
en:
- de heer [naam 2] , namens Stichting Staedion.
1.5.
Namens verweerster wordt - samengevat - het volgende verweer gevoerd. Verweerster stelt dat tijdens een gesprek op 22 augustus 2025 aan de heer [naam 1] een laatste gelegenheid is geboden om de ontruiming te voorkomen. Daarbij is als voorwaarde gesteld dat hij hulpverlening zou accepteren en de lopende huurtermijnen tijdig zou voldoen. Volgens verweerster heeft de heer [naam 1] deze voorwaarden niet nageleefd. Om die reden heeft verweerster geen aanleiding gezien om de ontruiming vrijwillig te annuleren dan wel op te schorten.

2.De beoordeling

Het doel van de voorlopige voorziening

2.1.
Bij een gedwongen ontruiming is sprake van een bedreigende situatie. De wet biedt in die gevallen de mogelijkheid om die bedreiging tijdelijk op te schorten, zodat de heer [naam 1] in staat is het minnelijk traject voort te zetten. Hij kan dan met zijn schuldeisers een regeling voor zijn schulden proberen te bereiken en wordt in die periode dan niet gehinderd door (executie)maatregelen. Voorwaarde is wel dat is gestart met het minnelijk traject.
Is sprake van een bedreigende situatie?
2.2.
De rechtbank stelt vast dat in dit geval sprake is van een bedreigende situatie. De woningontruiming is aangezegd tegen 23 maart 2026.
Is er sprake van een schuldhulpverleningstraject?
2.3.
Op 19 maart 2026 is de heer [naam 1] een overeenkomst tot schuldregeling aangegaan met Noordzij Insolventie B.V. Het schuldhulpverleningstraject is gestart.
Worden de lopende termijnen betaald?
2.4.
Om het verzoek tot een voorlopige voorziening te kunnen toewijzen, is nodig dat de lopende huurtermijnen op tijd worden voldaan. Dat volgt uit de wet (artikel 287b lid 4 Fw jo. artikel 305 lid 2 Fw Pro).
2.5.
Ter zitting en uit de stukken is gebleken dat de huur voor de maand april 2026 inmiddels is voldaan, en dat de betaling van de daaropvolgende maanden voldoende is gegarandeerd. De heer [naam 1] heeft zich namelijk gewend tot de gemeente Den Haag in verband met zijn schuldenproblematiek en verslavingsproblematiek. Deze hulpverlening heeft ertoe geleid dat de heer [naam 1] thans begeleiding ontvangt van de gemeente Den Haag respectievelijk Parnassia. De heer [naam 1] is een overeenkomst tot schuldregeling aangegaan met Noordzij Bewindvoerders. Op 9 april 2026 is aan de heer [naam 1] een bijstandsuitkering toegekend. De gemeente Den Haag draagt daarnaast zorg voor rechtstreekse betaling van de lopende huur aan de verhuurder. De heer [naam 1] heeft ook een verzoek tot onderbewindstelling en mentorschap ingediend. In afwachting van de behandeling van deze aanvragen zal het fonds Bijzondere Noden garant staan voor de betaling van twee maanden lopende huur. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gewaarborgd dat de lopende huur tijdig en volledig zal worden voldaan.
Belangenafweging
2.6.
Nu is voldaan aan de voorwaarden waaronder het verzoek om een voorlopige voorziening kan worden toegewezen, dient een belangenafweging plaats te vinden tussen de belangen van de heer [naam 1] en die van verweerster.
2.7.
De rechtbank is van oordeel dat de belangen van de heer [naam 1] in dit geval zwaarder wegen dan de belangen van verweerster. De belangen van de heer [naam 1] bij het kunnen beschikken over woonruimte spreken voor zich. Ook het belang van verweerster om haar vordering betaald te krijgen en niet verder te laten oplopen, spreekt voor zich. Dit belang wordt door toewijzing van het verzoek echter niet geschaad: in de eerste plaats is voldoende gegarandeerd dat de vordering van verweerster niet verder oploopt. Daar komt bij dat ook verweerster gebaat is bij een geslaagde minnelijke regeling en die is alleen mogelijk in (voldoende) stabiele, niet bedreigende omstandigheden.
2.8.
Verweerster heeft nog aangevoerd dat de heer [naam 1] te lang heeft gewacht met het nakomen van zijn verplichtingen. Hij moet immers vanaf aanmelding bij schuldhulpverlening hebben geweten dat hij de lopende verplichtingen diende na te komen, maar de maand april is pas op 9 april 2026 betaald. Daar komt bij dat de rechtbank al op 20 maart 2026 een voorlopige voorziening had uitgesproken onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen zouden worden voldaan. De rechtbank verwerpt dit verweer. Ten aanzien van de heer [naam 1] is een beschermingsbewind aangevraagd. Dit maakt reeds duidelijk dat hij niet in staat (meer) is om zijn verplichtingen richting verweerster zelf na te komen en daarbij hulp nodig heeft. Inmiddels is voldoende geregeld dat de lopende verplichtingen, waaronder het betalen van de huur, nagekomen zullen worden.
2.9.
De rechtbank zal daarom het verzoek toewijzen. Daarmee wordt de heer [naam 1] de gelegenheid geboden om het minnelijk traject voort te zetten met als doel om met zijn schuldeisers, waaronder de verhuurder, een regeling voor de schulden te bereiken en/of het minnelijk traject af te ronden.
2.10.
De heer [naam 1] heeft ook een WSNP-verzoek ingediend. Op het WSNP-verzoek kan nog niet worden beslist, omdat het minnelijk traject nog niet is afgerond. De wet schrijft voor dat de schuldhulpverlener uiterlijk vier weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt aan de rechtbank (artikel 287b lid 6 Fw). Na ontvangst van dit verslag en een compleet WSNP-verzoek zal de behandeling van dat verzoek worden ingepland.

3.De beslissing

De rechtbank:
  • verbiedt Stichting Staedion tot ontruiming van de woning op het adres [adres] over te gaan;
  • bepaalt dat deze voorziening slechts geldt onder de voorwaarde dat
  • bepaalt dat deze voorziening geldt totdat de uitspraak op het WSNP-verzoek in kracht van gewijsde is gegaan of dit verzoek is ingetrokken;
- bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt na verloop van
zes maanden,gerekend vanaf
20 maart 2026;
- bepaalt dat uiterlijk vier weken voor voornoemde datum door de schuldhulpverlener verslag zal worden uitgebracht als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw.
Dit is een beslissing van mr. W.E. Povel, rechter, in samenwerking met
R. Radjkoemar, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.