ECLI:NL:RBDHA:2026:14936
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet tijdig beslissen op aanvraag verblijfsvergunning Syrië met besluitmoratorium
Eiser, afkomstig uit Syrië, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie ontving deze aanvraag op 9 december 2024. Volgens de Vreemdelingenwet 2000 geldt een beslistermijn van zes maanden, maar vanwege een besluitmoratorium voor Syrië van 14 december 2024 tot 13 juni 2025 is deze termijn verlengd met één jaar, waardoor de minister uiterlijk op 9 juni 2026 moet beslissen.
Eiser stelde de minister op 29 december 2025 schriftelijk in gebreke, maar dit was nog binnen de verlengde beslistermijn. De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestelling te vroeg is ingediend en dat het beroep daarom niet-ontvankelijk is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De rechtbank vond het niet nodig partijen uit te nodigen voor een zitting en baseerde zich op de relevante artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingenwet. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M. Eradus en is op 26 maart 2026 in het openbaar bekendgemaakt.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag verblijfsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te vroege ingebrekestelling.