Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14931

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
NL26.27273
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor voortzetting arbeid tijdens bezwaarprocedure GVVA

Verzoeker heeft bij besluit van 7 mei 2026 een afwijzing ontvangen op zijn aanvraag tot verlenging van de Gecombineerde Vergunning voor Verblijf en Arbeid (GVVA) met het verblijfsdoel 'Arbeid in loondienst'. Op 13 mei 2026 maakte hij bezwaar tegen dit besluit en verzocht tegelijkertijd om een voorlopige voorziening om tijdens de bezwaarprocedure te mogen blijven werken voor zijn werkgever.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting op basis van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De minister stelde zich niet op tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening. Gezien de belangen en het ontbreken van beletselen, besloot de voorzieningenrechter het verzoek toe te wijzen, zodat verzoeker zijn werkzaamheden kan voortzetten totdat op het bezwaar is beslist.

Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van €200,- en de proceskosten van €934,-, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter Y. Moussaoui en griffier L. Kooring en is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Verzoeker mag tijdens de bezwaarprocedure tegen de afwijzing van zijn GVVA-verlenging blijven werken voor zijn werkgever.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.27273
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
1.1.
Bij besluit van 7 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker om verlenging van zijn GVVA [1] met het verblijfsdoel ‘Arbeid in loondienst’ afgewezen.
1.2.
Op 13 mei 2026 heeft verzoeker hiertegen bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij diezelfde dag de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te
treffen die ertoe strekt hem toe te staan tijdens de bezwaarprocedure te mogen blijven werken voor zijn werkgever.
1.3.
De voorzieningenrechter doet op grond van 8:83, derde lid, van de Awb [2] uitspraak
zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Op 30 mei 2026 heeft de minister de voorzieningenrechter laten weten zich niet te
verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening. Gelet hierop en omdat de voorzieningenrechter ook verder geen beletselen ziet die zich tegen toewijzing van dit verzoek verzetten, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen. Dit betekent dat verzoeker mag blijven werken bij zijn huidige werkgever totdat op het bezwaar is beslist.
4. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de minister het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een
wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter,
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat verzoeker
gedurende de bezwaarprocedure mag blijven werken voor zijn werkgever;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 200,- aan verzoeker te vergoeden; en,
- veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid.
2.Algemene wet bestuursrecht.