ECLI:NL:RBDHA:2026:14931
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening voor voortzetting arbeid tijdens bezwaarprocedure GVVA
Verzoeker heeft bij besluit van 7 mei 2026 een afwijzing ontvangen op zijn aanvraag tot verlenging van de Gecombineerde Vergunning voor Verblijf en Arbeid (GVVA) met het verblijfsdoel 'Arbeid in loondienst'. Op 13 mei 2026 maakte hij bezwaar tegen dit besluit en verzocht tegelijkertijd om een voorlopige voorziening om tijdens de bezwaarprocedure te mogen blijven werken voor zijn werkgever.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting op basis van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De minister stelde zich niet op tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening. Gezien de belangen en het ontbreken van beletselen, besloot de voorzieningenrechter het verzoek toe te wijzen, zodat verzoeker zijn werkzaamheden kan voortzetten totdat op het bezwaar is beslist.
Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van €200,- en de proceskosten van €934,-, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter Y. Moussaoui en griffier L. Kooring en is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Verzoeker mag tijdens de bezwaarprocedure tegen de afwijzing van zijn GVVA-verlenging blijven werken voor zijn werkgever.