ECLI:NL:RBDHA:2026:14915

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
11903385
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Meester
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen onrechtmatig handelen door incassogemachtigde bij niet-aanbrengen dagvaarding

In deze civiele zaak vordert de eiser vergoeding van kosten die hij heeft gemaakt voor het opstellen van een conclusie van antwoord, nadat Incassocenter een dagvaarding aan hem had betekend maar deze niet bij de rechtbank aanbracht. De eiser stelt dat Incassocenter zonder machtiging heeft gedagvaard en hem niet heeft geïnformeerd over het niet-aanbrengen van de dagvaarding.

De rechtbank stelt vast dat uit de communicatie niet blijkt dat Incassocenter zonder toestemming van haar cliënte heeft gehandeld. De keuze om de dagvaarding niet aan te brengen zonder de wederpartij te informeren wordt weliswaar als slordig beoordeeld, maar niet als onrechtmatig. Er bestaat geen wettelijke plicht om de wederpartij in alle gevallen te informeren over het niet-aanbrengen van een dagvaarding.

De rechtbank weegt mee dat de eiser het risico heeft genomen door de rente en kosten onbetaald te laten, en dat het niet-aanbrengen van de dagvaarding hem mogelijk een veroordeling en proceskosten heeft bespaard. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij zijn eigen kosten draagt. De vordering van de eiser wordt afgewezen.

Uitkomst: De vordering tot vergoeding van kosten wordt afgewezen omdat het handelen van Incassocenter weliswaar slordig maar niet onrechtmatig was.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer: 11903385 \ RL EXPL 25-17975
Vonnis van 9 juni 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
procederend in persoon,
tegen
INCASSOCENTER B.V.,
te Den Haag,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Incassocenter,
gemachtigde: mr. M. Leung.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 september 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord van 2 december 2025 met producties,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
Op 7 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Bij de mondelinge behandeling is [eisende partij] verschenen en is namens Incassocenter mr. M. Leung verschenen. Aan het einde van de zitting is de uitspraak van dit vonnis bepaald op vandaag.

2.De beoordeling

Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[eisende partij] had in 2024 een geschil met een voormalig huurster, [huurster] . [huurster] heeft in dat geschil Incassocenter als gemachtigde ingeschakeld. Incassocenter heeft op 27 januari 2025 een dagvaarding aan [eisende partij] laten betekenen, maar die dagvaarding niet bij de rechtbank aangebracht op de eerste roldatum van 27 februari 2025.
2.2.
[eisende partij] meent dat Incassocenter tegenover hem onrechtmatig heeft gehandeld, ten eerste doordat Incassocenter zonder machtiging van haar cliënte heeft gedagvaard en ten tweede doordat Incassocenter heeft nagelaten aan [eisende partij] te melden dat de dagvaarding niet werd aangebracht. [eisende partij] wil dat Incassocenter de kosten vergoedt die hij nodeloos heeft gemaakt voor het opstellen van een conclusie van antwoord.
2.3.
Incassocenter is het hiermee niet eens. Zij voert aan dat zij gemachtigd was om te dagvaarden en dat het haar en haar cliënte [huurster] vrij stond na betekening te besluiten de dagvaarding niet aan te brengen, zonder bericht aan [eisende partij] .
Wat beslist de kantonrechter?
2.4.
De kantonrechter oordeelt dat het handelen van Incassocenter weliswaar slordig is, maar niet onrechtmatig tegenover [eisende partij] . De vordering wordt daarom afgewezen. Hierna wordt dit oordeel toegelicht.
Het beoordelingskader
2.5.
De kantonrechter hanteert bij de beoordeling van de vordering het volgende kader. Van onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:162 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) kan sprake zijn bij inbreuk op een recht, bij doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of bij handelen in strijd met wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. Een (incasso)gemachtigde komt een ruime mate van beoordelingsvrijheid toe om in overleg met de cliënt te bepalen hoe de belangen van de cliënt het beste vertegenwoordigd kunnen worden. Wel geldt dat schuldeiser en schuldenaar verplicht zijn zich jegens elkaar te gedragen volgens de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 BW Pro).
Het staat niet vast dat Incassocenter zonder machtiging heeft gedagvaard
2.6.
[eisende partij] stelt dat Incassocenter zonder opdracht heeft gedagvaard. Hij onderbouwt dit met een e-mailbericht van [huurster] aan [eisende partij] van 13 april 2025. Daarin schrijft [huurster] onder meer:
“(…) Ik heb het incassobureau destijds aangegeven dat ik mijn borg van u heb ontvangen. Hun gaven toen aan dat voor de opdracht die ik had gegeven dat ik de gemaakte kosten op u zou kunnen verhalen. (…) Ik heb de keuze gemaakt dit niet te doen en daarin mijn verlies te nemen. Ik heb het incassobureau dan ook NIET de opdracht gegeven tot een dagvaarding.”
2.7.
De kantonrechter is het met Incassocenter eens dat uit dit e-mailbericht niet volgt dat [huurster] de opdracht al had ingetrokken vóór Incassocenter tot dagvaarden overging. In de e-mail schrijft [huurster] dat zij "destijds" heeft gekozen de rente en kosten niet op [eisende partij] te verhalen, maar [huurster] schrijft niet wanneer zij dit heeft besloten. Dat [huurster] melding maakt van overleg over de rente en kosten, strookt juist eerder met de lezing van Incassocenter dat zij pas ná dagvaarden vernam dat de hoofdsom rechtstreeks aan [huurster] was betaald, en er toen in overleg met [huurster] voor is gekozen niet aan te brengen voor alleen rente en kosten. Dat [huurster] schrijft dat zij niet de opdracht heeft gegeven tot dagvaarden, kan worden verklaard door het gegeven dat voor een juridische leek het verschil tussen het laten betekenen van een dagvaarding en het aanbrengen daarvan bij de griffie van de rechtbank niet zonder meer duidelijk zal zijn. Bovendien voert Incassocenter terecht aan dat de opmerking van [huurster] dat zij nooit opdracht heeft gegeven tot dagvaarden moeilijk valt te rijmen met haar e-mail van 4 oktober 2024 waarin zij toestemming voor dagvaarden gaf.
2.8.
Het is de kantonrechter dus niet gebleken dat Incassocenter zonder toestemming van [huurster] de dagvaarding heeft uitgebracht.
De communicatie van Incassocenter over de dagvaarding is niet onrechtmatig
2.9.
Tussen partijen staat vast dat Incassocenter niet aan [eisende partij] heeft gemeld dat zij de zaak niet zou aanbrengen. Er is echter geen rechtsregel die meebrengt dat een schuldeiser haar schuldenaar in alle gevallen moet informeren over de keuze een dagvaarding niet aan te brengen. Hoewel de kantonrechter het met [eisende partij] eens is dat het beter was geweest als Incassocenter dit aan [eisende partij] had gemeld, is de keuze niets te laten weten in dit geval niet onrechtmatig. Daarbij weegt de kantonrechter mee dat [eisende partij] ervoor heeft gekozen de rente en kosten onbetaald te laten, dat hij daarmee het risico op de koop toe heeft genomen dat voor de rente en kosten een dagvaarding zou worden uitgebracht, en het risico dat hij zich daartegen zou moeten verweren. Dat de dagvaarding niet is aangebracht voor de rente en kosten, heeft [eisende partij] wellicht juist een veroordeling voor die rente en kosten plus een proceskostenveroordeling bespaard.
2.10.
Tot slot overweegt de kantonrechter het volgende. Incassocenter heeft bijna vier maanden laten verstrijken tussen het akkoord voor dagvaarden en het uitbrengen daarvan, naar eigen zeggen vanwege drukte bij haar op kantoor. Zij is bij het dagvaarden kennelijk niet opnieuw actief bij haar cliënte nagegaan of [eisende partij] al iets betaald had, want zij heeft dit naar eigen zeggen pas na dagvaarding van [huurster] vernomen. Ook [eisende partij] heeft op de dag van betekening van de dagvaarding per e-mail aan Incassocenter laten weten dat hij de hoofdsom al had betaald en heeft daarbij gevraagd of de procedure werd voortgezet. Incassocenter heeft twee weken gewacht met een reactie aan [eisende partij] . Die reactie hield in dat zij nog in overleg was met haar cliënte en daarna heeft Incassocenter niets meer aan [eisende partij] laten weten tot na de eerste roldatum. Dit terwijl zij in die periode kennelijk wel besloten heeft de zaak niet aan te brengen. Dat de zaak niet was aangebracht, moest [eisende partij] van de rechtbank vernemen toen hij zijn antwoord wilde indienen. Incassocenter heeft ter zitting aangegeven dat dit allemaal niet netjes was en niet de schoonheidsprijs verdient. De kantonrechter deelt die mening. Het handelen van Incassocenter haalt dus niet de hoge lat van onrechtmatig handelen tegenover de wederpartij [eisende partij] , maar is wel slordig.
De proceskosten worden gecompenseerd
2.11.
Hiervoor is vastgesteld dat Incassocenter slordig heeft gehandeld. [eisende partij] heeft dit in deze procedure aan de orde willen stellen en heeft in die zin gedeeltelijk gelijk gekregen. Omdat partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld, zal de kantonrechter de proceskosten compenseren. Dit betekent dat iedere partij zijn eigen kosten draagt voor deze procedure.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
3.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Meester en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.