ECLI:NL:RBDHA:2026:14839

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
NL25.45280
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.J. Wilts
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 KwalificatierichtlijnArt. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 29 Vreemdelingenwet 2000Art. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:51a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering nationaliteitsbeoordeling

Eiseres, met de Somalische nationaliteit, vroeg asiel aan vanwege bedreigingen door haar man die zich bij Al-Shabaab had aangesloten. De minister wees haar aanvraag af omdat hij haar nationaliteit ongeloofwaardig achtte, mede vanwege het ontbreken van identificerende documenten zoals een fayda, kebele-identiteitskaart of geboorteakte.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres het ontbreken van deze documenten niet aannemelijk kon maken. Eiseres leefde als analfabete nomade zonder documenten en kreeg medische zorg zonder identificatie, wat het ontbreken van documenten plausibel maakt. De minister ging ook niet adequaat in op de vraag waarom eiseres documenten had moeten aanvragen, zowel in Ethiopië als in Nederland.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze motiveringsgebreken. Daarnaast krijgt eiseres een proceskostenvergoeding van €1.868,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of de bestuurlijke lus toe te passen.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende motivering en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.45280

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. E. Ebes),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. [1] Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert aan dat de minister haar nationaliteit ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Zij voert daarnaast aan dat de minister had moeten toetsen of eiseres bij terugkeer een risico loopt op behandeling in strijd met het beginsel van non-refoulement. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft namelijk onvoldoende gemotiveerd waarom hij eiseres tegenwerpt dat eiseres geen identificerende documenten heeft en waarom zij geen bevredigende verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van deze documenten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft de minister gevraagd om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zij stelt dat zij de Somalische nationaliteit heeft. De minister heeft op 12 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond (het bestreden besluit). Eiseres heeft daar beroep tegen ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres woonde in [woonplaats] (Ethiopië), maar heeft de Somalische nationaliteit, net als haar ouders. Zij is gevlucht omdat haar man zich heeft aangesloten bij Al-Shabaab en heeft gedreigd om eiseres en hun kinderen wat aan te doen als ze zich niet bij hem zouden aansluiten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
  • de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres;
  • de problemen van eiseres met haar man.
De minister acht de herkomst en etniciteit van eiseres geloofwaardig, maar haar nationaliteit niet. De minister heeft daarom de problemen van eiseres met haar man niet beoordeeld. Dit asielmotief heeft immers slechts betekenis tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres.
Het toetsingskader
5. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiseres is om haar asielrelaas aannemelijk te maken. [2] Dat geldt ook voor haar nationaliteit. [3] Eiseres heeft geen documenten overgelegd om haar verklaringen over haar nationaliteit te onderbouwen. De verklaringen van eiseres worden desalniettemin geloofwaardig geacht als is voldaan aan vijf voorwaarden (a-e). [4] Op de zitting heeft de minister bevestigd dat hij eiseres alleen het niet voldoen aan voorwaarde b tegenwerpt. Voorwaarde b is dat eiseres alle relevante elementen waarover zij beschikt heeft overgelegd en een bevredigende verklaring heeft gegeven over het ontbreken van andere relevante elementen.
5.1.
De minister beoordeelt vervolgens of eiseres een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. [5] Als eiseres geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag, beoordeelt de minister of eiseres gegronde redenen heeft om aan te nemen dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, waaronder in de vorm van folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. [6]
Mocht de minister de nationaliteit van eiseres ongeloofwaardig achten?
6. In het bestreden besluit heeft de minister aan eiseres tegengeworpen dat zij geen
fayda(de Ethiopische nationale identiteitskaart) heeft. Daarbij heeft de minister erop gewezen dat uit het Algemeen ambtsbericht Ethiopië van 31 januari 2024 blijkt dat inwoners van Ethiopië een fayda kunnen aanvragen, ook inwoners die niet de Ethiopische nationaliteit hebben. Weliswaar is eiseres analfabeet, maar binnen haar stam wordt hulp geboden aan elkaar en de familieleden van eiseres hadden haar kunnen helpen om een fayda aan te vragen. Eiseres heeft ook toegang gehad tot medische zorg.
6.1.
Eiseres heeft aangevoerd dat zij niet over een fayda beschikt en dat haar dit niet kan worden tegengeworpen. Slechts een klein deel van de Ethiopische bevolking heeft een fayda aangevraagd. Eiseres kon ook geen fayda aanvragen. Voor die aanvraag had eiseres een kebele-identiteitskaart en/of een geboorteakte nodig, terwijl zij deze documenten ook niet had. Eiseres leefde in Ethiopië als nomade, is ongeschoold en analfabeet en heeft nooit documenten nodig gehad.
6.2.
De rechtbank oordeelt dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij eiseres tegenwerpt dat zij tijdens haar verblijf in Madheedhle geen fayda heeft verkregen en geen bevredigende verklaring heeft gegeven voor het ontbreken daarvan. Een fayda is te verkrijgen met een kebele-identiteitskaart en/of een geboorteakte. Dat volgt uit het Algemeen ambtsbericht Ethiopië van 31 januari 2024, pagina 42, en daar gaan partijen ook van uit. Eiseres heeft in de zienswijze aangevoerd dat zij geen kebele-identiteitskaart en/of een geboorteakte heeft. De minister is daar in het bestreden besluit niet naar behoren op ingegaan. Daarmee heeft de minister het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.
6.3.
Dat eiseres medische zorg kreeg zonder dat zij over documenten beschikte, is naar het oordeel van de rechtbank daarnaast juist een aanwijzing dat eiseres geen documenten nodig had. Dat geldt temeer omdat uit pagina 42 van het Algemeen ambtsbericht Ethiopië van 31 januari 2024 blijkt dat in oktober 2023, kort voordat eiseres uit Ethiopië vluchtte in januari 2024, slechts ongeveer 2,5 procent van de Ethiopische bevolking zich had geregistreerd voor een fayda. De minister heeft tegen die achtergrond geen afdoende reden gegeven waarom eiseres, die als nomade in een afgelegen gebied leefde, ongeschoold en analfabeet is en naar eigen zeggen geen documenten nodig had in haar dagelijks leven, een fayda had moeten aanvragen.
6.4.
Dit betekent dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd.
Wat zijn de gevolgen van de motiveringsgebreken?
7. Om te beoordelen of de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laat, [7] betrekt de rechtbank het aanvullende standpunt van de minister op de zitting. De minister heeft eiseres op de zitting aanvullend tegengeworpen dat zij geen kebele-identiteitskaart heeft aangevraagd, terwijl dit kon op basis van alleen getuigenverklaringen. De minister betwijfelt daarnaast of er nooit een geboorteakte is geweest, omdat eiseres getrouwd is en dus een huwelijksakte zou moeten hebben. De minister heeft op de zitting ook aangevoerd dat eiseres van haar dorp [woonplaats] naar de dichtstbijzijnde grotere stad Jigjiga heeft gereisd en niet in een acute vluchtsituatie verkeerde, zodat zij in de gelegenheid was documenten aan te vragen. Tot slot heeft de minister eiseres tegengeworpen dat zij ook vanuit Nederland geen documenten heeft aangevraagd.
7.1.
De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom van eiseres kon worden verlangd dat zij een kebele-identiteitskaart en/of geboorteakte zou moeten hebben. Eiseres stelt immers dat zij in het dagelijks leven geen documenten nodig had. De minister heeft niet gemotiveerd waarom zij hierin niet kan worden gevolgd. De minister heeft voorts niet onderbouwd waarom eiseres een huwelijksakte zou moeten hebben en waarom ongeloofwaardig is dat zij geen geboorteakte heeft. Zo heeft de minister niet toegelicht waarom eiseres, bijvoorbeeld onder de Ethiopische wetgeving, een huwelijksakte zou moeten hebben en waarom zij op basis daarvan een geboorteakte zou moeten hebben.
7.2.
De minister heeft daarnaast op de zitting onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres documenten om haar nationaliteit aannemelijk te maken had moeten aanvragen toen zij bij haar zus in Jigjiga verbleef, kort voor haar vlucht naar Nederland. Tijdens deze periode was eiseres ziek. Zo had zij een hoge bloeddruk en is zij flauwgevallen. De minister heeft niet genoegzaam toegelicht waarom eiseres in die periode identificerende documenten had moeten aanvragen.
7.3.
Tot slot heeft de minister op de zitting ook onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres tijdens haar verblijf in Nederland alsnog identificerende documenten had moeten aanvragen. Op de zitting heeft de minister aangevoerd dat hij begrijpt dat eiseres vanuit Nederland moeilijker documenten kan aanvragen dan vanuit Ethiopië. De minister heeft ook niet toegelicht hoe eiseres vanuit Nederland documenten had kunnen aanvragen.
7.4.
De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. [8] Daarvoor is namelijk vereist dat de rechtbank de overtuiging heeft dat de uitkomst van het geschil geen andere zou zijn als de minister opnieuw in de zaak zou voorzien, en de toets aan het recht kan doorstaan. [9] Het is echter onzeker of en hoe de minister de hiervoor besproken punten nader zal motiveren.
7.5.
Tot slot draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (de bestuurlijke lus). [10] Dit is volgens de rechtbank in dit geval geen doelmatige en efficiënte manier om de zaak af te doen.
Had de minister aan het beginsel van non-refoulement moeten toetsen?
8. De rechtbank oordeelt dat eiseres geen belang meer heeft bij een oordeel over de tweede beroepsgrond. De rechtbank is hiervoor al tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Daarmee is niet langer relevant of de minister in het bestreden besluit aan het beginsel van non-refoulement had moeten toetsen omdat eiseres bij terugkeer vreest voor haar man die zich bij Al-Shabaab heeft aangesloten. Deze beoordeling hangt immers nauw samen met de beoordeling van de geloofwaardigheid van de nationaliteit van eiseres en met de beoordeling of eiseres moet worden uitgezet.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond. De rechtbank draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen. [11] Daarbij moet de minister de hiervoor geconstateerde motiveringsgebreken in acht nemen. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-. [12] Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 12 september 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Wilts, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L.M. Celie, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 31, eerste en tweede lid, van de Vw.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) 15 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2025), r.o. 4.2.
4.Op grond van artikel 31, zesde lid, van de Vw.
5.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
6.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onder 2, van de Vw.
7.In de zin van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.
8.In de zin van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
9.ABRvS 15 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1682), r.o. 7.1.
10.In de zin van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb.
11.In de zin van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.
12.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht krijgt eiseres een vergoeding voor de rechtsbijstand die haar gemachtigde heeft verleend. Daarbij is 1 punt gerekend voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1.