Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14824

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
NL25.37295
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 29 VwArt. 30b VwArt. 3 EVRMArt. 15c Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen afwijzing asielaanvraag minderjarige wegens onvoldoende motivering openbare orde en beleid wandaden

Eiser, een minderjarige van Ethiopische nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door de minister werd afgewezen als kennelijk ongegrond vanwege een veroordeling voor feitelijke aanranding en het ontbreken van uitzonderlijke omstandigheden.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de aanvraag als kennelijk ongegrond is afgewezen, met name omdat niet is ingegaan op de minderjarigheid van eiser en het jeugdstrafrecht. Ook is het beleid 'eerdere confrontatie met wandaden' niet deugdelijk toegepast, aangezien de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden, waaronder het ontbreken van psychologische problematiek.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak en de actuele situatie in Ethiopië. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende motivering en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37295

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A. Sloots).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft namelijk onvoldoende gemotiveerd waarom de asielaanvraag als kennelijk ongegrond is afgedaan. Daarnaast heeft de minister onvoldoende en ondeugdelijk gemotiveerd dat eiser niet voldoet aan het zogeheten beleid ‘eerdere confrontatie met wandaden’. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Ethiopische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2007. De minister heeft met het bestreden besluit van 31 juli 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep [2] , op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, D. Habtab als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is het asielrelaas van eiser?
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser kwam samen met zijn vader vanaf het land naar huis. Onderweg bij controleposten werden zij tegengehouden door Amhaarse soldaten. Deze soldaten hebben de vader van eiser doodgeschoten. Tegen eiser werd gezegd dat hij weg moest gaan, waarna hij naar huis is gelopen. Onderweg zag eiser dode lichamen op straat liggen en besefte hij dat de oorlog was begonnen. Thuis trof eiser niemand aan en hierom is eiser vertrokken.
Wat is het standpunt van de minister in het bestreden besluit?
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
  • dat de vader van eiser is gedood door Amhaarse soldaten.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat beide asielmotieven geloofwaardig zijn. De minister heeft echter – kort samengevat – het standpunt ingenomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat met betrekking tot hem persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan een verblijfsvergunning asiel [3] moet worden verleend. Volgens de minister is de situatie in Ethiopië drastisch gewijzigd, omdat er sprake is van een staakt-het-vurenovereenkomst sinds 2 november 2022. Ook is geen sprake van een uitzonderlijke situatie in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn [4] . Eiser behoort daarnaast niet tot een risicogroep of tot een groep die in het land van herkomst systematisch wordt blootgesteld aan behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Daar komt bij dat eiser op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid vormt. Eiser is namelijk veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond [5] .
Heeft de minister de asielaanvraag van eiser kennelijk ongegrond mogen verklaren?
Wat is het betoog van eiser?
5. Eiser voert aan dat zijn asielaanvraag ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser stelt dat het aan de minister is om te motiveren waarom het aspect van de openbare orde aanleiding geeft om de aanvraag als kennelijk ongegrond af te doen. Eiser is immers een minderjarige en als het gaat om een veroordeling binnen het jeugdstrafrecht, moet hiermee rekening worden gehouden. Uit het bestreden besluit kan niet worden opgemerkt in hoeverre het beleid als omschreven in het Informatiebericht 2025/10 is toegepast en of er sprake is van een misdrijf berecht volgens het jeugdstrafrecht. Er is ook niet gebleken of rekening is gehouden met de jeugdigheid, ontwikkelingsfase of de belangen van eiser.
Wat is het standpunt van de minister?
5.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde. Eiser is namelijk onherroepelijk veroordeeld voor vier zedendelicten. Dergelijke feiten kunnen niet lichtvaardig terzijde worden geschoven. De impact van deze delicten werkt mogelijk nog langdurig door in de samenleving. De ernst en de aard van deze feiten staat daarmee vast en vormen een zwaarwegende reden om de aanvraag af te doen als kennelijk ongegrond.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielaanvraag van eiser niet kennelijk ongegrond mocht verklaren. Uit het toegepaste beleid [6] volgt dat de minister in de besluitvorming duidelijk moet maken dat het gaat om een minderjarige die volgens het jeugdstrafrecht is veroordeeld en ook waarom desondanks toch het criterium van de openbare orde wordt tegengeworpen. Het is van belang dat het karakter van het jeugdstrafrecht, dat de hersenen op minderjarige leeftijd nog niet volledig zijn ontwikkeld en minderjarigen de gevolgen van hun daden minder goed kunnen overzien, bij de beoordeling wordt betrokken. De minister heeft niet volgens de eigen beleidslijn gemotiveerd. De elementen van de minderjarigheid zijn niet opgenomen in de besluitvorming. Ook heeft de minister niet gemotiveerd waarom, ondanks de minderjarigheid van eiser, het criterium van de openbare orde is tegengeworpen. Dat de minister tijdens de zitting heeft aangegeven dat het niet relevant is dat eiser minderjarig was, omdat hij voldoet aan de eisen uit de Vc [7] , maakt het oordeel niet anders. De minister motiveert hiermee alsnog niet volgens de eigen beleidslijn. Deze beroepsgrond slaagt.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd dat eiser niet voldoet aan het zogenoemde beleid ‘eerdere confrontatie met wandaden’?
Wat staat in het beleid van de minister?
6. Het beleid ‘eerdere confrontatie met wandaden’ is opgenomen in paragraaf C2/3.3.2.2. van de Vc. Dit beleid houdt in dat een vreemdeling die in het verleden is geconfronteerd met traumatische gebeurtenissen in zijn directe omgeving en zich op grond van de psychologische problematiek als gevolg van de wandaden in een positie bevindt dat hij niet terug kan keren naar zijn land van herkomst, door de minister onder de gestelde voorwaarden in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning asiel [8] . De vreemdeling moet daarvoor voldoen aan de voorwaarden dat hij is geconfronteerd met een gebeurtenis in het land van herkomst waarbij de daders van die gebeurtenissen in het land van herkomst niet worden bestraft en dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat deze gebeurtenis de aanleiding is geweest voor het vertrek uit het land van herkomst.
Wat is het betoog van eiser?
6.1.
Eiser voert aan dat de minister het standpunt ten aanzien van dit beleid onvoldoende heeft gemotiveerd. Uit het gehoor blijkt namelijk dat eiser is vertrokken nadat en omdat hij getuige was van de moord op zijn vader. Het causaal verband is dus wel degelijk aanwezig. Dat de minister het ontbreken van dit verband later niet meer tegenwerpt, maar wel dat geen sprake is van psychologische problemen, vindt eiser te laat. Dit vereiste volgt bovendien niet uit de Vc. Tijdens de gehoren heeft eiser echter wel verklaringen afgelegd waaruit valt te herleiden dat er psychologische klachten zijn. De minister heeft tijdens de gehoren verder niet doorgevraagd naar deze klachten. De verwijzing van de minister naar het onderzoek door MediFirst gaat niet op, omdat dit advies slechts bedoeld is om na te gaan of iemand in staat is om een verklaring af te leggen, of om na te gaan of er rekening moet worden gehouden met bijzondere omstandigheden. De minister had na het wijzigen van het eigen standpunt aanleiding moeten zien om eiser nader te ondervragen over de psychologische situatie.
Wat is het standpunt van de minister?
6.2.
De minister volgt eiser in de stellingen met betrekking tot het causale verband, maar dit kan niet leiden tot een andere uitkomst. Een van de vereisten van het beleid is dat er sprake moet zijn van psychologische problematiek. Dat is door eiser niet gesteld en ook niet aangetoond. Ook in het rapport van MediFirst wordt niet over psychologische problematiek gesproken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende en ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser niet voldoet aan het zogenoemde beleid ‘eerdere confrontatie met wandaden’. Daarvoor is van belang dat de minister zeer laat is gewijzigd van standpunt en dat het om een wezenlijk ander standpunt gaat. De minister had uitgebreider moeten motiveren waarom niet aannemelijk is gemaakt dat geen sprake is van psychologische problematiek. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de verklaringen van eiser tijdens het gehoor blijkt dat hij moeite heeft met de gebeurtenissen. De verwijzing van de minister naar het rapport van MediFirst is onvoldoende. MediFirst beoordeelt niet of sprake is van psychologische klachten in de zin van dit beleid, maar of eiser gehoord kan worden en of rekening gehouden moet worden met bepaalde omstandigheden tijdens het horen. Omdat de minister zeer laat van standpunt is gewijzigd heeft eiser hier tijdens de besluitvormingsprocedure niets tegen in kunnen brengen en kan de rechtbank dit niet (goed) toetsen. Deze beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd. [9] De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De overige beroepsgronden hoeven daarom niet te worden beoordeeld. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag te nemen. Dit omdat het aan de minister is om een onderbouwd standpunt in te nemen aan de hand van mogelijk door eiser aan te leveren informatie. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat te verwachten is dat het onderzoek dat nodig is om het gebrek te herstellen lang kan duren en te onzeker is wanneer dat kan worden afgerond.
7.1.
De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak en met de situatie in Ethiopië op dat moment. [10] De rechtbank geeft de minister hiervoor geen termijn, omdat de rechtbank het belangrijk vindt dat het besluit zorgvuldig tot stand komt.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 31 juli 2025;
- draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Tijssen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Geregistreerd onder zaaknummer NL25.37296, hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
3.Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef onder a of b, van de Vw.
4.Richtlijn 2011/95/EU.
5.Op grond van artikel 30b, eerste lid, onder j, van de Vw.
6.IB 2025/10.
7.Vreemdelingencirculaire 2000.
8.Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b Vw.
9.Strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
10.met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.