Eiseres heeft een asielaanvraag ingediend die door verweerder op 6 november 2025 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank heeft op 21 januari 2026 een tussenuitspraak gedaan waarin werd vastgesteld dat het besluit niet aan de wettelijke regels voldeed. Verweerder kreeg de gelegenheid een aanvullend besluit te nemen, maar ook dit besluit voldeed niet aan de vereisten, met name omdat Europese regelgeving onvoldoende werd toegepast.
De kern van het geschil betreft de vraag of eiseres behoort tot een sociale groep zoals bedoeld in de Kwalificatierichtlijn en of zij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Verweerder motiveerde onvoldoende waarom eiseres niet tot een sociale groep behoort, met name ten aanzien van het identificatiekenmerk van vrouwen die zich vereenzelvigen met gelijkheid tussen mannen en vrouwen. De rechtbank oordeelt dat verweerder niet adequaat is ingegaan op relevante verklaringen van eiseres en het juridische kader zoals uitgelegd door het Hof van Justitie.
Daarnaast is verweerder niet duidelijk geweest over waarom eiseres geen gegronde vrees voor vervolging of ernstig risico op schade zou lopen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep gegrond is. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres.