ECLI:NL:RBDHA:2026:14785
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden wegens niet voldoen aan Turkse Associatierecht
Eiseres, van Turkse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van niet-tijdelijke humanitaire gronden. De minister van Asiel en Migratie wees dit verzoek af, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank Den Haag. De kern van het geschil is dat eiseres geen voortgezet verblijf wordt toegestaan omdat haar echtgenoot niet langer economisch actief was in Nederland op het moment dat zij daarvoor in aanmerking zou komen.
De rechtbank oordeelt dat het Turkse Associatierecht niet voorziet in een verblijfsrecht voor personen die niet economisch actief zijn, en dat eiseres geen rechten kan ontlenen aan dit verdrag. Verweerder heeft het toepasselijke recht juist toegepast en voldoende gemotiveerd waarom het beroep ongegrond is. De rechtbank gaat in op de verschillende beroepsgronden, waaronder het standpunt dat verweerder ambtshalve had moeten onderzoeken of eiseres op andere gronden verblijf kon krijgen, en wijst deze af.
Ook het argument dat het Associatierecht geen onderscheid maakt tussen economisch actieven en mensen met een uitkering wordt verworpen. De rechtbank benadrukt dat het economisch actief zijn de kern vormt van het verleningsrecht. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank nu reeds beslist. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding. De uitspraak is mondeling gedaan op 26 mei 2026.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.