ECLI:NL:RBDHA:2026:14778
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van privéleven artikel 8 EVRM
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, diende op 8 juni 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel het opbouwen van een privéleven in Nederland conform artikel 8 van Pro het EVRM. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag bij besluit van 29 augustus 2023 af. Na bezwaar en een daarop volgend besluit van 5 juni 2024, waarin het bezwaar kennelijk ongegrond werd verklaard, stelde eiser beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 26 mei 2026. Eiser stelde dat de hoorplicht was geschonden en dat een hoorzitting noodzakelijk was geweest. De rechtbank oordeelde dat de hoorplicht niet was geschonden omdat het achterwege laten van een hoorzitting in vreemdelingenzaken is toegestaan indien duidelijk is dat de bezwaren niet tot een ander besluit leiden.
Eiser voerde aan dat de belangenafweging ten onrechte onjuist was gemaakt en dat hij sterke banden met Nederland heeft, waardoor sprake zou zijn van een privéleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank toetste de belangenafweging volledig en concludeerde dat alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder het langdurige verblijf van eiser in Nederland, waren meegewogen. De rechtbank vond geen aanleiding om het besluit van verweerder te vernietigen.
De rechtbank verwierp ook de verwijzingen van eiser naar het arrest Pormes en het arrest Ararat, omdat de omstandigheden van eiser niet vergelijkbaar zijn en er geen risico op schending van het non-refoulementbeginsel is. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.