Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14778

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
NL24.24114 en awb 23/9691
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:81 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van privéleven artikel 8 EVRM

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, diende op 8 juni 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel het opbouwen van een privéleven in Nederland conform artikel 8 van Pro het EVRM. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag bij besluit van 29 augustus 2023 af. Na bezwaar en een daarop volgend besluit van 5 juni 2024, waarin het bezwaar kennelijk ongegrond werd verklaard, stelde eiser beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 26 mei 2026. Eiser stelde dat de hoorplicht was geschonden en dat een hoorzitting noodzakelijk was geweest. De rechtbank oordeelde dat de hoorplicht niet was geschonden omdat het achterwege laten van een hoorzitting in vreemdelingenzaken is toegestaan indien duidelijk is dat de bezwaren niet tot een ander besluit leiden.

Eiser voerde aan dat de belangenafweging ten onrechte onjuist was gemaakt en dat hij sterke banden met Nederland heeft, waardoor sprake zou zijn van een privéleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank toetste de belangenafweging volledig en concludeerde dat alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder het langdurige verblijf van eiser in Nederland, waren meegewogen. De rechtbank vond geen aanleiding om het besluit van verweerder te vernietigen.

De rechtbank verwierp ook de verwijzingen van eiser naar het arrest Pormes en het arrest Ararat, omdat de omstandigheden van eiser niet vergelijkbaar zijn en er geen risico op schending van het non-refoulementbeginsel is. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.24114 (beroep) en AWB 23/9691 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1969, van Marokkaanse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna eiser
(gemachtigde: mr. J. Singh),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.T.M. Hoppema).

Procesverloop

1. Eiser heeft op 8 juni 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘privéleven conform artikel 8 van Pro het EVRM [1] ’.
1.1.
Met het primaire besluit van 29 augustus 2023 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Eiser heeft bezwaar ingesteld tegen dit besluit en heeft tegelijkertijd de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist.
1.2.
Met het bestreden besluit van 5 juni 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het eerder ingediende verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar is op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb [2] gelijkgesteld met een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL24.24114:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer AWB 23/9691:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Beoordeling door de rechtbank

Hoorplicht
2. Eiser stelt dat de hoorplicht is geschonden en dat het houden van een hoorzitting voor verheldering had kunnen zorgen.
3. Op grond van vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in vreemdelingenzaken [3] mag verweerder een hoorzitting achterwege laten als op voorhand duidelijk is dat de bezwaren niet tot een ander besluit leiden. De gronden van bezwaar die eiser tegen het primaire besluit heeft aangevoerd waren naar het oordeel van de rechtbank zodanig dat verweerder de conclusie kon trekken dat er na een hoorzitting geen ander besluit uit zou komen. Eiser heeft gezegd dat verweerder uiteindelijk punten heeft laten vallen waardoor een hoorzitting nodig was geweest maar dat klopt niet. Verweerder heeft geen punten laten vallen in het nieuwe besluit, zoals verweerder in deze procedure heeft bevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank is de hoorplicht dus niet geschonden.
Belangenafweging artikel 8 van Pro het EVRM - privéleven
4. Verder voert eiser aan dat verweerder ten onrechte een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt. Verweerder is voorbijgegaan aan heel belangrijke feiten en omstandigheden, waaruit duidelijk blijkt dat eiser zeer sterke banden heeft met Nederland, waardoor sprake is van privéleven in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM. Eiser heeft op de zitting ook verwezen naar het arrest Pormes tegen Nederland [4] en het arrest Ararat. [5]
5. De rechtbank toetst vol of alle feiten en omstandigheden die van belang zijn door verweerder in de besluitvorming zijn meegewogen. Hoe de relevante belangen vervolgens zijn afgewogen, toetst de rechtbank enigszins terughoudend. [6] Eiser heeft alleen gronden gericht tegen de belangenafweging over zijn privéleven. De belangenafweging is in het primaire besluit uitgebreid en helder gedaan. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd die bij de belangenafweging gemist zijn. Hij stelt in de beroepsgronden wel dat een aantal punten niet zou zijn betrokken (lang verblijf in Nederland, eiser is inmiddels 55 jaar, hij heeft zijn productieve jaren in Nederland doorgebracht, verweerder heeft het verblijf gedoogd), maar dit is allemaal wel degelijk in de belangenafweging betrokken. Overigens klopt het ook niet dat niet in geschil zou zijn dat eiser al 34 jaar onafgebroken in Nederland is. In het bestreden besluit schrijft verweerder namelijk dat hij aanneemt dat eiser in ieder geval tien jaar in Nederland woont. Nu de gronden die eiser tegen de belangenafweging met betrekking tot het privéleven heeft gericht niet slagen omdat die door verweerder zijn meegenomen, is het beroep ongegrond. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de consequenties van het besluit van verweerder voor eiser heel hard zijn, heeft verweerder volgens de rechtbank niet ten onrechte besloten dat eiser niet op grond van artikel 8 van Pro het EVRM in Nederland mag blijven en de aanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgedaan.
6. De situatie in het arrest Pormes is naar het oordeel van de rechtbank niet vergelijkbaar met de situatie van eiser. De betrokkene over wie dat arrest gaat was namelijk vanaf dat hij kind was in Nederland en wist niet dat hij geen verblijfsrecht had. Eiser is als volwassen man naar Nederland gekomen en wist dat wel. Met betrekking tot het Ararat arrest stelt de rechtbank vast dat eiser in de aanvraagprocedure nooit een mogelijke schending van het risico op non-refoulement heeft genoemd. Op de zitting heeft hij enkel aangevoerd dat hij zich in Marokko minder vrij zal kunnen uiten dan in Nederland. De rechtbank ziet hierin geen risico op schending van het non-refoulementbeginsel. De kern van de aanvraag is ook dat eiser in Nederland wil wonen omdat hij hier een privéleven heeft opgebouwd. Dat eiser vrijer is in Nederland dan hij in Marokko zou kunnen zijn kan kloppen, maar de rechtbank ziet geen reden in het dossier of in wat is aangevoerd op de zitting om aan te nemen dat eiser gevaar loopt als hij terug zou gaan naar Marokko.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
8. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen aanleiding meer. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026 door mr. M.F.A.M. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juli 2020, ECLI:CE:ECHR:2020:0728JUD002540214.
5.Het arrest van het HvJ EU van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187.