Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14776

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
11972089 \ CV EXPL 25-3957
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 5 BWBesluit vergoeding incassokosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis over onredelijk bezwarend incassobeding en betalingsverplichting consument

De zaak betreft een vordering van Rivery GmbH, handelend onder de naam Riverty, tegen een consument die niet is verschenen. Bij tussenvonnis was verstek verleend en werd de eisende partij in de gelegenheid gesteld een toelichting te geven op de eerlijkheid van artikel 3.2 van de algemene voorwaarden.

Eisende partij stelde dat het incassobeding niet oneerlijk is omdat het aansluit bij het Besluit vergoeding incassokosten, met een percentage van 15% over de eerste € 2.500 van de vordering en een minimum van € 40. De kantonrechter oordeelde echter dat het beding onredelijk bezwarend is omdat het percentage van 15% steeds wordt toegepast, ook als dit hoger is dan de wettelijke vergoeding volgens artikel 6:96 lid 5 BW Pro en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten.

Daarom werd het beding vernietigd en de gevorderde incassokosten afgewezen. Tevens werd een sanctie toegepast wegens schending van de (pre)contractuele informatieplichten, waardoor de betalingsverplichting van de consument met 20% werd verminderd. De kantonrechter veroordeelde de consument tot betaling van € 179,19 plus wettelijke rente en proceskosten van € 319,71. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Incassobeding vernietigd, vordering deels toegewezen met 20% korting en veroordeling tot betaling van € 179,19 plus rente en proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Gouda
MvN
Rolnr.: 11972089 \ CV EXPL 25-3957
Datum: 28 mei 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de rechtspersoon naar buitenlands recht Rivery GmbH, handelend onder de naam Riverty, voorheen genaamd Arvato Payment Solutions GmbH, rechtsopvolger onder algemene titel van Arvato Finance B.V., handelend onder de naam Afterpay,
gevestigd te Verl (Duitsland),
eisende partij,
gemachtigde: Bosveld Incasso en Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats], [gemeente],
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.Verloop van de procedure

1.1.
Bij tussenvonnis van 19 februari 2026 waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, is verstek verleend tegen gedaagde partij en is eisende partij in de gelegenheid gesteld een toelichting te geven op de (on)eerlijkheid van artikel 3.2 van de toepasselijke algemene voorwaarden van eisende partij.
1.2.
Eisende partij heeft op de rol van 19 maart 2026 een akte genomen.
1.3.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

2.Verdere beoordeling

(on)eerlijk beding

2.1.
Eisende partij heeft zich bij akte uitgelaten over het betreffende beding en stelt dat dit beding niet oneerlijk is, omdat het niet ten nadele van de consument afwijkt. Daartoe voert zij het volgende aan. In de praktijk, in de dagvaarding, wijkt eisende partij niet af van het bij wet bepaalde over de incassokosten. Artikel 3.2 van de algemene voorwaarden verwijst naar het Besluit vergoeding incassokosten, dit houdt in dat de wet van toepassing is. Het percentage van 15% is alleen van toepassing op de eerste € 2.500,00 van een vordering. Er wordt bij een vordering onder de € 2.500,00, zoals in deze procedure, altijd maximaal 15% van de hoofdsom aan incassokosten in rekening gebracht, met een minimum van € 40,00. Dit wijkt dus niet af van het Besluit. Bij een hoofdsom van meer dan € 2.500,00 gelden over het deel daarboven gestaffelde, lagere percentages. De hoofdsom is in deze procedure lager dan € 2.500,00, dus wordt het wettelijke toegestane percentage van 15% aangehouden met een minimum van € 40,00. Aldus eisende partij.
2.2.
In het incassobeding is bedongen dat bij niet betaling steeds 15% van het factuurbedrag in rekening mag worden gebracht als vergoeding voor gemaakte incassokosten, met een minimum van € 40,00. Dat percentage is in sommige gevallen hoger dan de door de wetgever redelijk geachte vergoeding die volgt uit artikel 6:96 lid 5 BW Pro en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De bedongen vergoeding wijkt dus ten nadele van consumenten zoals gedaagde partij aanzienlijk af van de wettelijke regeling over de vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Het beding is dus onredelijk bezwarend voor consumenten zoals gedaagde partij en wordt daarom vernietigd. Als gevolg daarvan moet de gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. Dat eisende partij in de praktijk niet afwijkt van het bij wet bepaalde over de incassokosten nu bij een vordering onder de € 2.500,00, zoals in deze procedure, altijd maximaal 15% van de hoofdsom aan incassokosten in rekening wordt gebracht, met een minimum van € 40,00, maakt het oordeel van de kantonrechter niet anders, omdat dit niet volgt uit de tekst van het beding.
conclusie en proceskosten
2.3.
In het tussenvonnis is verder geoordeeld dat een sanctie zal worden toegepast vanwege het schenden van de (pre)contractuele informatieplichten, in die zin dat de betalingsverplichting van gedaagde partij wordt verminderd met 20%. Dat betekent dat een bedrag van (€ 223,99 x 80% =) € 179,19 aan hoofdsom zal worden toegewezen.
2.4.
De vordering komt de kantonrechter voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze bij verstek wordt toegewezen, met inachtneming van het volgende.De gevorderde rente zal worden toegewezen op de hierna in de beslissing vermelde wijze.
2.5.
Gedaagde partij is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:
- dagvaarding € 120,21
- griffierecht € 135,00
- salaris gemachtigde € 43,00 (1 punt x tarief € 43,00)
- nakosten € 21,50 (plus de kosten van betekening
zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 319,71

3.Beslissing

De kantonrechter:
- veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen € 179,19, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van verzuim tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 319,71, onverminderd de eventueel over de verschotten verschuldigde btw, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet gedaagde partij ook de kosten van betekening betalen;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.C. Sluymer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.