ECLI:NL:RBDHA:2026:14755

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
NL26.12005
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Dublinverordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht op grond van Dublinverordening

Verzoeker is door de minister van Asiel en Migratie geïnformeerd over zijn voorgenomen overdracht aan Oostenrijk op grond van artikel 26 van Pro de Dublinverordening. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening gevraagd.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met het beroep op 13 mei 2026 behandeld. Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank op dezelfde dag uitspraak gedaan in de bodemzaak, waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 934,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak is definitief en er staat geen rechtsmiddel tegen open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de overdracht aan Oostenrijk wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12005

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam] , verzoeker,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. U.H. Hansma)
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

Procesverloop

1. Bij het bestreden besluit van 4 maart 2026 heeft de minister eiser in kennis gesteld van het feit dat hij, op grond van artikel 26 van Pro de Dublinverordening [1] , zal worden overgedragen aan de autoriteiten van Oostenrijk.
1.1.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld (zaaknummer NL26.12004) en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van het beroep, op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, een tolk en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is op zitting gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
3. Gelet op de uitkomst van de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter de minister wel in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.