Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14742

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
NL26.22203
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

De minister van Asiel en Migratie legde op 23 mei 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De minister hief de maatregel op 22 april 2026 op. De rechtbank behandelde het beroep op 27 mei 2026, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen en geen reactie gaven op verzoeken om nadere informatie.

De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was. Uit een eerdere uitspraak van 16 maart 2026 bleek dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig was. De rechtbank constateerde dat na die datum geen beroepsgronden tegen het voortduren van de bewaring waren aangevoerd en dat de gemachtigde van eiser niet reageerde op verzoeken om informatie.

Ambtshalve toetsend oordeelde de rechtbank dat de toepassing en tenuitvoerlegging van de bewaring niet in strijd waren met de wet. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22203
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J. van Appia),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. M.P. Gaal - De Groot).

Procesverloop

De minister heeft op 23 mei 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De minister heeft op 22 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. Zijn gemachtigde is niet verschenen en heeft zich ook niet afgemeld voor de zitting. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 16 maart 2026 (in de zaak NL26.10664) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
3. De rechtbank stelt vast dat in het inleidende beroepschrift van 20 april 2026 geen beroepsgronden tegen het voortduren van de bewaring zijn aangevoerd. De gemachtigde van eiser heeft niet gereageerd op de brief van 20 april 2026 waarin wordt gevraagd om een reactie op de namens de minister ingediende voortgangsrapportage. De gemachtigde van eiser heeft evenmin gereageerd op de brief van 29 april 2026 waarin is gevraagd om uiterlijk op 6 mei 2026 aan te geven of het beroep na de opheffing van de bewaring nog wordt gehandhaafd.
4. Direct voorafgaand aan de behandeling ter zitting heeft de griffier, zonder resultaat, geprobeerd de gemachtigde van eiser telefonisch te bereiken op beide bij de rechtbank bekende telefoonnummers. Ook de gemachtigde van de minister heeft aangegeven dat zij de gemachtigde van eiser telefonisch niet heeft kunnen bereiken.
5. Uit al het voorgaande volgt dat door of namens eiser geen gronden zijn aangevoerd tegen de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel. Ambtshalve toetsend is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting, de toepassing noch de tenuitvoerlegging van de bewaring in strijd is geweest met de wet.
6. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.