Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14741

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
NL26.25772
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening bij afwijzing verblijfsdocument EU/EER

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER, welke op 13 januari 2026 door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen. Bij een bestreden besluit van 15 april 2026 bleef de minister bij deze afwijzing. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg tegelijkertijd om een voorlopige voorziening om de rechtsgevolgen van het besluit te schorsen.

De voorzieningenrechter heeft de minister tweemaal verzocht te reageren op het verzoek om voorlopige voorziening, maar de minister heeft niet gereageerd. Op grond hiervan en gelet op de belangen van verzoeker, besloot de voorzieningenrechter het verzoek toe te wijzen zonder zitting.

De voorlopige voorziening houdt in dat verzoeker wordt behandeld alsof hij beschikt over rechtmatig verblijf in Nederland en het recht om te werken behoudt, totdat op het beroep is beslist. Tevens is de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 934,- aan verzoeker. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, waardoor de rechtsgevolgen van het afwijzingsbesluit worden geschorst en verzoeker wordt behandeld als rechtmatig verblijvend tot beslissing op het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.25772
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
1.1.
Bij besluit van 13 januari 2026 heeft verweerder de aanvraag om afgifte van een
verblijfsdocument EU/EER afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 april 2026 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op diezelfde dag heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het verzoek strekt ertoe dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden geschorst en verweerder te gelasten dat verzoeker over rechtmatig verblijf en het recht om te werken blijft beschikken gedurende de beroepsprocedure.
1.3.
Op 11 mei 2026 heeft de voorzieningenrechter de minister verzocht op dit verzoek te reageren. De minister heeft niet gereageerd op dit verzoek.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft de minister op 20 mei 2026 nogmaals in de gelegenheid gesteld op het verzoek te reageren. De minister heeft ook hier niet op gereageerd.
1.5.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [2] Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. Nu de minister niet heeft gereageerd op de verzoeken van de voorzieningenrechter, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de minister zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorziening. De voorzieningenrechter ziet overigens ook geen beletselen om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Daarom zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is kennelijk gegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening inhoudende dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden geschorst en verzoeker wordt behandeld als ware hij beschikt over rechtmatig verblijf in Nederland, in elk geval totdat op het beroep is beslist.
5. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding van zijn proceskosten bedraagt € 934,-, omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe, in die zin dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden geschorst;
- bepaalt dat verzoeker wordt behandeld als ware hij beschikt over rechtmatig verblijf in Nederland, in elk geval totdat op het beroep is beslist;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Dat staat in artikel 8:81 van Pro de Awb.