Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14738

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
NL26.26645
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 15 TerugkeerrichtlijnRichtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring

Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, is sinds 28 januari 2026 onderworpen aan een maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van de maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek bevestigd. De beoordeling richt zich daarom op de periode daarna. Eiser beroept zich op het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie, stellende dat de geschorste periode van bewaring mee moet tellen voor de maximale termijn van zes maanden zoals bepaald in de Terugkeerrichtlijn.

De rechtbank oordeelt dat het arrest Aroja alleen van toepassing is op bewaring op grond van artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De maatregel van eiser is echter gebaseerd op artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet, waardoor de geschorste periode niet meetelt. De maximale termijn van zes maanden is nog niet overschreden. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.26645
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Verweerder heeft op 28 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1997.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 14 april 2026 (in de zaak NL26.19363) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
3. Eiser doet een beroep op het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 5 maart 2026 [1] en stelt dat verweerder ten onrechte geen verlengingsbesluit heeft genomen na het verstrijken van de termijn van zes maanden. Volgens eiser volgt uit het arrest dat zijn bewaring op grond van artikel 59b van de Vw, die begon op 30 oktober 2025, een geschorste periode betreft die op grond van het arrest dient mee te tellen voor de berekening van de bewaringstermijn, zoals neergelegd in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn [2] . Eiser verwijst hierbij naar punt 58 en de daaropvolgende rechtsoverwegingen van het arrest.
4. Uit het arrest Aroja blijkt dat voor de berekening van de maximale termijn van zes maanden in de zin van artikel 15, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn, alle perioden die een vreemdeling ter uitvoering van hetzelfde terugkeerbesluit in vreemdelingenbewaring heeft doorgebracht bij elkaar moeten worden opgeteld. In punt 58 van het arrest staat dat ook de periode waarin de uitvoering van het verwijderingsbesluit is geschorst wegens de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, moet worden meegeteld. Het Hof wijst daarbij op punten 40, 47 en 48 van het arrest Kadzoev [3] . Daaruit blijkt dat wat in punt 58 van het arrest Aroja staat slechts van toepassing is als de bewaringsmaatregel is gebaseerd op artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De perioden van eventuele maatregelen van bewaring op een andere grondslag dan de Terugkeerrichtlijn tellen dan ook niet mee voor de berekening van de genoemde maximale termijn van zes maanden [4] . Niet in geschil is dat de maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw nog niet de maximale termijn van zes maanden heeft overschreven. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.ECLI:EU:C:2026:148.
2.Richtlijn 2008/115/EG.
3.ECLI:EU:C:2009:741.
4.Zie in dit verband ook punt 45 van het arrest Kadzoev, waaruit volgt dat bewaring met het oog op verwijdering die in richtlijn 2008/115 wordt geregeld en de bewaring van een asielzoeker die met name krachtens de richtlijnen 2003/9 en 2005/85 en de toepasselijke nationale bepalingen wordt gelast, onder afzonderlijke rechtsregelingen vallen.