3.5.Bewijsoverwegingen
Betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefsters
De raadsvrouw heeft in de eerste plaats de betrouwbaarheid van de verklaringen van beide aangeefsters betwist, omdat deze volgens haar inconsistent zijn.
De rechtbank acht de verklaringen en de melding van de aangeefsters betrouwbaar en zal deze voor het bewijs gebruiken. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de verklaringen van beide aangeefsters inderdaad inconsistenties bevatten. Anders dan de verdediging, ziet de rechtbank daarin geen aanleiding om de gehele verklaring van de aangeefsters onbetrouwbaar te achten. Het enkele feit dat verklaringen van getuigen op ondergeschikte punten van elkaar verschillen, maakt die verklaringen op zichzelf namelijk nog niet onbetrouwbaar ten aanzien van de onderdelen die relevant zijn voor de beoordeling van het aan de verdachte gemaakte verwijt. Inconsistenties kunnen te wijten zijn aan de emoties die zijn ontstaan naar aanleiding van hetgeen is voorgevallen. De rechtbank ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd -en ook overigens -geen reden de verklaringen onbetrouwbaar te achten.
Vaststellingen door de rechtbank
Op grond van het procesdossier en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.
Zowel aangeefsters als de verdachte hebben verklaard dat zij elkaar op 11 maart 2025 in het winkelcentrum [winkelcentrum] in Delft tegenkwamen en dat een discussie ontstond. De verklaringen lopen uiteen of de verdachte daarbij een vuurwapen heeft getoond en of hij daarmee (gericht) op hen heeft geschoten. De verdachte heeft ontkend een vuurwapen bij zich te hebben gehad. Aangeefsters hebben verklaard dat de verdachte hen heeft bedreigd met een vuurwapen en meermaals op hen heeft geschoten, namelijk tijdens de woordenwisseling en nog een keer nadat zij de verdachte, die naar de uitgang van het winkelcentrum was gelopen, achterna waren gegaan.
-
De camerabeelden
In het winkelcentrum hingen camera’s die de confrontatie tussen de aangeefsters en de verdachte hebben vastgelegd. Op de camerabeelden is te zien dat tijdens de woordenwisseling de verdachte zijn hand uit zijn linker jaszak haalt en daarmee een slaande beweging maakt richting [aangeefster 1] . In zijn hand heeft de verdachte een voorwerp gelijkend op een vuurwapen. Hierna lopen de vrouwen op de verdachte af, terwijl de verdachte achteruit loopt. De verdachte staat met zijn linkerarm gestrekt, met een voorwerp in zijn handen gelijkend op een vuurwapen, gericht op het hoofd van [aangeefster 1] . Zij slaat zijn hand weg met haar rechterarm. Daarna richt de verdachte wederom zijn linkerhand met het voorwerp, lijkend op een vuurwapen, richting het gezicht van de twee vrouwen. De vrouwen bukken. De verdachte stopt daarna het voorwerp in zijn zak en loopt de hoek om richting de uitgang. De twee aangeefsters lopen vervolgens achter hem aan, op een afstand van ongeveer drie meter. De verdachte verdwijnt uit beeld en de twee aangeefsters staan dan vlak bij de uitgang. [aangeefster 2] maakt vervolgens een draaiende beweging, alsof ze zich afwendt van een situatie. Daarna geeft zij een schrikreactie weer. Ook een andere vrouw trekt op dat moment haar schouders op en brengt haar handen naar haar oren, alsof ze een hard geluid hoort.
-
Had de verdachte een vuurwapen?
Op basis van de gebruikte bewijsmiddelen, waaronder de beschrijving van de camerabeelden en hetgeen de rechtbank hieronder bij de beoordeling van feit 3 zal bespreken, stelt de rechtbank vast dat de verdachte ten tijde van de confrontatie met de aangeefsters en nadat hij de richting de uitgang van het winkelcentrum is gelopen een vuurwapen in zijn hand heeft gehad.
-
Heeft de verdachte geschoten?
Naar aanleiding van het incident zijn meerdere getuigen door de politie gehoord. Door getuigen is verklaard dat de verdachte ten tijde van de woordenwisseling een vuurwapen in zijn hand had en dat richtte op aangeefsters. Geen van de getuigen heeft verklaard dat zij op dat moment schoten hebben gehoord. Nu de verklaringen van aangeefsters dat de verdachte toen al heeft geschoten onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, kan niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte op dat moment heeft geschoten.
Dit ligt anders voor wat betreft de vraag of de verdachte bij de uitgang van het winkelcentrum, dus nadat hij de hoek om is gelopen, met het vuurwapen heeft geschoten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verklaringen van aangeefsters en een andere getuige hierover elkaar op wezenlijke onderdelen ondersteunen. Bovendien is op camerabeelden te zien dat bij zowel aangeefster [aangeefster 2] als een omstander sprake is van een plotselinge schrikreactie op het moment dat de verdachte volgens de verklaringen zou hebben geschoten.
Beoordeling van de tenlastegelegde feiten
Vrijspraak poging tot doodslag (feit 1)
Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag moet komen vast te staan dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van (één van de) aangeefsters. Uit de bewijsmiddelen kan weliswaar worden afgeleid dat de verdachte bij de uitgang van het winkelcentrum met een vuurwapen heeft geschoten, uit die bewijsmiddelen kan evenwel niet worden afgeleid dat de verdachte daarbij gericht op (één van) de aangeefsters heeft geschoten. Nu de details van dit schieten – met name of er gericht op het hoofd en/of lichaam van aangeefsters is geschoten, waar de verdachte precies stond ten tijde van het afdrukken, op welke afstand dit was ten opzichte van aangeefsters en hoe dit zich verhoudt tot de schotbaan – niet blijken kan de rechtbank evenmin vaststellen hoe waarschijnlijk het is geweest dat aangeefsters door een kogel zouden kunnen worden geraakt, laat staan dat die kans aanmerkelijk is geweest dat zij hierbij zouden komen te overlijden.
De rechtbank is daarom van oordeel dat het eerste ten laste gelegde feit – poging tot doodslag op [aangeefster 2] en [aangeefster 1] - niet wettig en overtuigend is bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Bedreiging met een levensdelict (feit 2)
Hiervoor is reeds vast komen te staan dat de verdachte een vuurwapen uit zijn jaszak heeft gehaald en dat hij dat meermaals – van nabij – heeft gericht op het hoofd dan wel het lichaam van aangeefsters. De rechtbank is van oordeel dat voormelde gedragingen van de verdachte in de gegeven omstandigheden een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht opleveren. Het tonen van een vuurwapen en dat vervolgens richten op een persoon zijn handelingen die in het algemeen naar hun aard al geschikt zijn om vrees voor een inbreuk op de persoonlijke integriteit en veiligheid teweeg te brengen. De verdachte heeft dit gedaan in een openbare ruimte. Daarbij heeft de verdachte het vuurwapen bij de uitgang van het winkelcentrum daadwerkelijk nog afgevuurd.
De rechtbank acht de ten laste gelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van [aangeefster 2] en [aangeefster 1] wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van de bedreiging van andere aanwezige personen, waaronder [getuige] . Getuige [getuige] stond weliswaar in de nabijheid toen de verdachte het wapen richtte op aangeefsters, niet kan worden vastgesteld in hoeverre de verdachte heeft gezien of moeten kunnen zien dat het wapen ook aan die [getuige] is getoond en/of was gericht. Eveneens is dit niet voor andere aanwezigen vast komen te staan.
Het voorhanden hebben van twee vuurwapens (feit 3)
Aangeefster [aangeefster 2] heeft in haar gesprek met de meldkamer verklaard dat de verdachte na het verlaten van het winkelcentrum naar de flat zou zijn gerend en aldaar via de gemeenschappelijke ingang naar binnen zou zijn gegaan om naar de kelderboxen te gaan. Enige tijd later heeft een verbalisant onderzoek gedaan in de gang naar de kelderboxen behorend bij deze flat, waar de verdachte woonde. Op een plank boven de leidingen trof de verbalisant twee vuurwapens aan.
Beide vuurwapens zijn bemonsterd. Uit deze bemonsteringen is een DNA-mengprofiel verkregen, met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. Het DNA-profiel van de verdachte komt overeen met dit DNA-mengprofiel. De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier, dat de verdachte donor is van celmateriaal op de vuurwapens.
De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij deze vuurwapens op een eerder moment in handen heeft gehad toen twee personen hem deze wapens toonden, omdat zij deze aan hem wilden verkopen, hetgeen hij echter niet heeft gedaan. De verdachte heeft de namen van deze personen niet willen noemen, zodat zijn verklaring niet kan worden getoetst. De rechtbank acht het door de verdachte geschetste scenario niet geloofwaardig en stelt het terzijde. Daarbij betrekt de rechtbank ook de omstandigheid dat de verdachte deze verklaring pas heeft afgelegd bij de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak, dus nadat het opsporingsonderzoek was afgerond en het dossier gereed was, hetgeen hem de mogelijkheid heeft gegeven om zijn verklaring af te stemmen op de onderzoeksbevindingen.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte de vuurwapens bewust aanwezig heeft gehad en dat hij ook over die wapens heeft kunnen beschikken. De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde dus wettig en overtuigend bewezen.